Collectief narratief (4)

Soms vraag ik me af hoe snel ik mijn mail moet beantwoorden. Iets zegt me dat ik dat binnen 24 uur moet doen, uiterlijk binnen 48 uur.

Dat ‘iets’ in het ‘iets zegt me dat’ is het collectieve narratief. Een regel die nergens in een wet is vastgelegd en waar je ook geen wetgever op kunt aanspreken.

Vuistregels, common sense, gewoontes, zo doen wij dat nu eenmaal, een onderbuikgevoel.

Als ik Google op hoe snel email beantwoord moet worden, krijg ik inderdaad  heel wat hits die bevestigen dat je dat het beste binnen 24 tot 48 uur kunt doen.

We praten het elkaar na, we praten het elkaar aan.

Natuurlijk kun je er je eigen gewoonte op na houden. Natuurlijk kun je proberen je e-mail altijd binnen een uur te beantwoorden. Of er pas na een week op reageren. Of helemaal nooit.

Maar je verhoudt je hoe dan ook tot het collectieve narratief. Als je ervan afwijkt, loop je de kans dat je erop wordt aangesproken, terecht wordt gewezen.

En dit gaat nog maar om iets dat niet zo heel belangrijk is. Maar wat als het niet gaat om het beantwoorden van email, maar om relaties, seksualiteit, euthanasie?

Ik denk dat ook daar collectieve narratieven een rol spelen, dat we elkaar ook op deze terreinen napraten, iets aanpraten, al denken we dat we in alle vrijheid doen vanuit een eigen, uniek, individueel narratief.

Als ik dit betrek op literatuur, iets waar deze website ook over gaat:

Literatuur kan niet alleen laten zien hoe we omgaan met grote thema’s, maar ook hoe collectieve narratieven daarin een rol spelen en hoe daaruit conflicten ontstaan die narratief van aard zijn.

Collectief narratief (3)

Mijn vriendin schreef:

“Ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

En nu vraag ik mij af: 

Is het zo dat wij mensen zoals vogels zijn? Dat wij onderdeel van een zwerm zijn? Dat niemand afzonderlijk de zwerm is, maar dat wij allemaal een stukje van die zwerm zijn, en dat er tegelijkertijd iets van de zwerm in ons zit? Of met andere woorden: zitten wij in de zwerm en zit de zwerm in ons?

En hoe zit het dan met het culturele narratief? Is dat buiten ons? Kunnen wij ons tot het culturele narratief verhouden als tot iets wat buiten ons is? Zit in ons individuele narratief ook niet altijd een deel van het culturele narratief?

En als ons individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarbuiten, is het dan zo dat we met ‘daarbuiten’ bedoelen: het narratief van de anderen en ook het culturele narratief? Is hoe het individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarmee min of meer gelijk aan hoe het individuele narratief zich verhoudt tot het narratief van anderen en tot het culturele narratief?

Collectief narratief (2)

Mijn vriendin schreef me over collectieve narratieven:

“Ik denk inderdaad dat aan de gemeenschappelijkheid van taal niet te ontkomen valt. Ik denk wel dat er een verschil zit tussen een collectief narratief en een cultureel narratief.

Een collectief narratief kan ook het narratief zijn van een sub-cultuur of een nog kleinere groep mensen. Bijvoorbeeld, het collectieve narratief op de kunstacademie is dat je niet té ambitieus mag zijn en niet mag roepen dat je prijzen wilt winnen, maar dat je wel mag zeggen dat je van kunst zou willen rondkomen. Een ander collectief narratief op de kunstacademie is dat kunstenaars plat vermaak als Big Brother of GTST niet leuk vinden.

Een collectief narratief kan ook een familie-narratief zijn. Toen mijn ouders een huis hadden gekocht en dat aan mijn opa gingen vertellen, zei mijn opa verbaasd: “Een huis kopen is niet voor ons soort mensen weggelegd.” En het heeft lang geduurd voordat hij naar het huis van mijn ouders heeft willen kijken.

Een collectief narratief kan ook het ‘Heemskerk is beter dan Beverwijk’ gevoel zijn dat mensen in mijn omgeving hebben.

Ik denk dat een cultureel narratief alomvattender en onzichtbaarder is dan een collectief narratief. Een cultureel narratief spreidt zich uit over meerdere subculturen en er zijn soms maar weinig aanwijzingen voor behalve in ons taalgebruik.

‘Kanker is een gevecht’ is bijvoorbeeld zo’n cultureel narratief. Er zijn mensen die zich tegen dat narratief willen verzetten omdat ze iemand verloren hebben aan kanker, en het narratief suggereert dat hun geliefden dus niet ‘hard genoeg gevochten hebben’ of ‘de strijd verloren hebben’. Die mensen kunnen zich nog maar lastig uitdrukken, omdat de taal en de zinssnedes rondom kanker allemaal doorwrocht zijn met dat narratief.

Ook het gebruik van ‘homo’ en variaties daarop als scheldwoord zijn een cultureel narratief. ‘Je gooit als een meisje’ is ook een cultureel narratief.

Terwijl ‘Vrouwen zijn gelijk aan mannen en dienen gelijk behandeld te worden’ een collectief narratief is, volgens mij.

Nou ja, dit vind ik een interessant onderwerp. Hier raakt het mijn eigen werk ook, ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

Collectief narratief (1)

Eerder schreef ik: ‘Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan. Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.’

Een manier waarop collectieve narratieven proberen te overleven is door bezit te nemen van de taal.

Een voorbeeld daarvan is het onderscheid dat binnen ons collectieve narratief wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is een onderscheid dat van generatie op generatie via de taal is doorgegeven.

Als ik iemand zou vragen of hij de sleutels van mijn partner heeft gevonden, dan moet ik, als ik een bezittelijk voornaamwoord wil gebruiken, zeggen dat we haar sleutels zoeken, waarmee ik aangeef dat de sleutels aan een vrouw en niet aan een man toebehoren. Blijkbaar is dat verschil van collectief belang.

Het gaat me nu niet specifiek om de gender-discussie. Het gaat me erom dat ik als taalgebruiker een onderscheid moet maken dat al generaties in de taal gecodeerd is, en dat het moeilijk of bijna onmogelijk is om me uit te drukken zonder dat onderscheid en zonder de woorden die dat onderscheid aangeven.

Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.

Behoud van het narratief (7)

Wat ik me afvraag: wat gebeurt er als ik van gedachte verander? Of, zoals de Engelsen dat noemen: if one changes his or her mind? Als ik een beslissing heb genomen, is dan mijn mind echt veranderd, of is er toch nog iets — of meer dan iets — onveranderd gebleven?

Stel: ik heb gisteravond een aangrijpende film gezien en ik denk daaraan terug. En stel: vanmiddag ga ik met een vriend lunchen en ik verheug me daarop. Als ik eerst een tijdje aan de film terugdenk, en daarna een tijdje in gedachten vooruitblik op onze lunch, dan zijn mijn gedachten toch niet veranderd? Dan is mijn mind toch dezelfde gebleven? Dan is er in mijn hoofd toch een ruimte waarin de film bestaat, en een ruimte waar het etentje bestaat? Die twee kunnen toch gewoon allebei bestaan?

Oké, een ander voorbeeld. Stel: ik wil graag een stoel kopen om in te lezen. Ik oriënteer me en ik vind een stoel die lekker zit, die mooi is, en honderd euro kost. Ik wil die stoel kopen, en ontdek in de winkel een stoel die lekkerder zit, die net zo mooi is, en tweehonderd euro kost. Ik besluit die tweede stoel te kopen, bedenk me, wil het toch bij de eerste stoel houden, en bedenk me nog een keer, het wordt toch de tweede stoel.

Is het in dit tweede voorbeeld met de stoelen zoals met het eerste voorbeeld met de film en het etentje? Is het zo dat in mijn hoofd ‘ik wil de eerste stoel’ en ‘ik wil de tweede stoel’ los van elkaar bestaan, dat ze allebei een eigen plek in mijn hoofd houden? Misschien zelfs nog nadat ik de beslissing heb genomen? Dat als ik besloten heb dat ik de ene stoel wil, dat dan nog steeds de gedachte bestaat dat ik de andere stoel wil?

Behoud van het narratief (6)

Ons brein filtert niet alleen informatie — zoals we eerder zagen — het gebruikt ook andere methodes. Zoals het zelf aanvullen van informatie die onvoldoende duidelijk is of onvoldoende samenhang heeft. En ook daarbij kan het gebeuren dat het narratief kunstmatig in stand wordt gehouden.

Benson schrijft hier in zijn blog over: “De wereld is zeer verwarrend, en uiteindelijk zien we er alleen maar een kleine splinter van, waar we betekenis aan moeten geven om te overleven. Als we slechts beperkte informatie krijgen, dan vullen we zelf de gaten in met dingen die we al denken te weten.”

Er zijn verschillende mechanismen die helpen om betekenis te geven. Een  daarvan is het werken met stereotypen. Als we iets niet volledig hebben waargenomen, bijvoorbeeld wat iemand doet, dan zijn we geneigd de ontbrekende informatie aan te vullen met dat wat we karakteristiek vinden aan de groep waartoe iemand behoort. Op die manier hebben we én de gebeurtenis begrepen én ons narratief over de groep in stand gehouden.

Een ander mechanisme is Hindsight bias, dat Wikipedia beschrijft als ‘Zie je, ik wist het wel!’ Het is het mechanisme waarbij we achteraf invullen dat we iets konden zien aankomen, hoewel er vooraf weinig of zelfs geen objectieve aanwijzingen voor waren. Dit mechanisme zorgt ervoor dat gebeurtenissen meer samenhang krijgen, en het doet ons narratief consistenter lijken dan het daadwerkelijk is.