Het schrijven zelf — ook dat maakt onderdeel uit van een narratief (6)

De technieken die schrijvers gebruiken, worden grotendeels bepaald door het collectief narratief waarvan schrijvers deel uitmaken. Schrijvers en docenten creative writing vertellen elkaar hoe je hoort te schrijven, wat de technieken zijn om dat te doen. Daarover schreef ik in de vorige post.

Maar niet alleen de technieken van onze verhalen worden bepaald door het collectief narratief, ofwel door dat wat we elkaar en onszelf vertellen en wijsmaken. Ook de inhoud wordt grotendeels door collectieve narratieven bepaald:

Neem de beroemde openingszin van Tolstojs roman Anna Karenina:

Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.

Veelzeggend, food for thought, kernachtig, en daarom niet voor niets een van de meest geciteerde zinnen uit de literatuur.

Vaak wordt de zin niet alleen aangehaald om een gesprek te starten over de inhoud of over de schoonheid ervan, maar wordt hij aangehaald om te laten zien — of zelfs: bewijzen — waarover literatuur hoort te gaan. Literatuur gaat over ongeluk, want daarmee kun je de individualiteit van iemand laten zien (‘zijn eigen wijze’). Zou je over geluk willen vertellen, dan kan dat alleen maar door iets te vertellen dat niet individueel en niet specifiek zou kunnen zijn (‘lijken op elkaar’).

En die opvatting, dat is waar het volgens mij misgaat met het citeren van deze zin en het collectieve narratief waarbinnen ze gebruikt wordt. Er lijkt te worden voorgeschreven waarover we zouden moeten schrijven.

Waardoor we ons niet meer voldoende afvragen: Is het wel waar dat je niet kunt schrijven over geluk? Is het sowieso wel zinnig om een onderscheid tussen geluk en ongeluk te maken, tussen ongelukkige en gelukkige gezinnen? Zou het zo kunnen zijn dat een persoon of gezin zowel gelukkig als ongelukkig is? Werkt het denken in gelukkig versus ongelukkig niet een oppervlakkigheid in de hand die we misschien liever niet in literatuur zien?

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (5)

Waarom we schrijven, dat komt voort uit onze individuele en collectieve narratieven, zo kon je in de vorige blogposts lezen. Immers, schrijvers hebben een drijfveer om te schrijven, en die drijfveer maakt onderdeel uit van hun narratief.

Maar niet alleen onze drijfveer, ook de manier waarop we over schrijven denken, ook wat we als schrijftechnieken beschouwen, kan een narratief zijn.

Neem de leus Show don’t tell. Die wordt vaak gezien als een wet. Laatst gaf ik een proefles bij de Schrijversvakschool Amsterdam, en daar behandelde ik het verhaal Hiernaast van Tobias Wolff. Dat verhaal begint met de zin: Angstig word ik wakker. ‘Maar dat mag toch niet?’ zei een van de belangstellenden, ‘want daar wordt toch verteld in plaats van geshowd? Wolff moet toch eigenlijk laten zien dat het personage bang is, in plaats van het zo maar aan de lezer te vertellen?’

Maar wie zegt dat een schrijver zoiets niet mag vertellen? En hoe komt het dat iemand die aan een schrijfopleiding wil beginnen al ‘weet’ dat je zogenaamd wel mag showen maar niet mag vertellen? Is dat een natuurwet? Is er onlangs een stenen tafel met een elfde gebod opgegraven?

Als lezer en als schrijver weet ik dat het soms goed kan werken als er wél wordt verteld (bijvoorbeeld door een ik-verteller, zodat we die ‘ik’ door haar subjectiviteit van het vertellen leren kennen). Maar als ik dat aan studenten vertel, ben ik soms in hun ogen een beetje verdacht omdat ik iets niet lijk te begrijpen dat iedere beginnende schrijver weet: ‘Show don’t tell’.

‘Show don’t tell’ is een collectief narratief, iets wat schrijvers elkaar en zichzelf vertellen, iets waar je soms je voordeel mee kunt doen, en soms je nadeel. Het blijft iets om zelf in een gegeven situaties van te bekijken of het werkt.

Overigens, dit collectief narratief over het schrijven gaat over de vorm, over de techniek. Dat een collectief narratief ook — soms onbewust — de inhoud van je verhalen kan beïnvloeden, daarover gaat de volgende blogpost.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (4)

Waarom we schrijven, daarover ging het de afgelopen drie blogposts, daarover gaat het ook nu.

Een vriendin van me is autistisch, en ze is schrijver. Ze hoopt uitgegeven te worden, soms vreest ze dat dat niet zal gebeuren.

‘Wat als mensen mijn boek nooit zullen kunnen lezen omdat het niet wordt uitgegeven?’ zo vroeg ze zich af. ‘Dan zullen ze nooit kunnen zien dat ik niet autistisch en raar ben, maar dat ik bijzonder ben. Dat ik iets kan, dat ik iets te betekenen heb, dat ik waardering verdien. Als mijn boek niet wordt uitgegeven, zullen ze als ze ze me in de supermarkt zien niet kunnen zeggen: kijk daar gaat die schrijver. Dan zullen ze blijven zeggen: daar gaat die rare.

Ze noemde een paar tv-series waarin de hoofdpersoon misschien raar lijkt, maar in wezen geniaal is. Ze noemde House, met een geniale dokter. Ze noemde The Bridge, met een geniale rechercheur.

Ze zei ook dat die series het opnemen voor mensen die afwijken, dat ze laten zien hoe geniaal die mensen kunnen zijn.

Ik zei dat die series ook een gevaar met zich meebrachten, dat ze ook lijken te zeggen: we mogen onszelf zijn, we mogen anders zijn, als we maar geniaal zijn. En daarmee houden zulke series juist een bedenkelijk collectief narratief in stand.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (3)

Ik ben gaan schrijven om gezien te worden, zo stelde ik in de twee vorige blogposts.

Het benoemen van die drijfveer, dat is een narratief, en zoals altijd bij narratieven, is het niet de waarheid. Het is een model, een manier ertegen aan te kijken, een van de manieren.

Een mens weet nooit helemaal wat haar beweegt. Er zal altijd iets meespelen waarvan ze zich niet bewust is. Continue reading “Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (3)”

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (2)

In de vorige blogpost schreef ik dat ik een narratief ontdekte van waaruit ik schreef, namelijk dat ik erkenning wilde krijgen, dat ik gezien wilde worden.

Ik denk dat wat me tot schrijven dreef, ook terug te zien is in verhalen die ik schreef. Dat daar veel personages in voorkomen die het stille verlangen hebben dat ik zelf had — om gezien te worden — of die proberen verder te leven zonder dat dat verlangen vervuld wordt. Continue reading “Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (2)”

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (1)

Niet alleen personages hebben een narratief. Ook schrijvers hebben dat. Schrijvers hebben — bewust of onbewust — een narratief waarom ze schrijven. Of meerdere narratieven.

Zelf dacht ik aanvankelijk dat ik schreef omdat ik nou eenmaal niet anders kon, dat ik wel moest. Misschien was het waar. Het was in ieder geval waar dat ik het dacht.

Maar toen er voor het eerst een verhaal van mij werd gepubliceerd in een literair tijdschrift, ontdekte ik dat ik ook een andere drijfveer had, een ander narratief:

Ik werd me daarvan bewust toen ik trots met het tijdschrift bij mijn ouders op visite ging. Ik stelde ze voor dat ik het verhaal zou voorlezen, waarna mijn vader naar de keuken ging onder het mom om daar te drinken te halen. Hij bleef maar weg, ook toen ik begon voor te lezen. Toen ik het verhaal uit had, zei mijn moeder dat ze het verhaal niet helemaal had begrepen, maar dat het vast knap was, dat het mogelijk dusdanig knap was dat het haar verstand te boven ging.

Niet nodig om te zeggen dat ik teleurgesteld was. En in die teleurstelling werd ik me van een drijfveer bewust: dat ik met het schrijven ook erkenning van mijn ouders had hopen te krijgen.