Een uitgewerkt voorbeeld van hoe narratieven werken in een kort verhaal — Kevin Canty, ‘Carolina Beach’ (1)

Hoe narratieven hun werk doen, dat is iets wat in literatuur kan worden blootgelegd.

In het korte verhaal ‘Carolina Beach’ (uit de bundel Honeymoon) schrijft Kevin Canty over Vincent, die voor het eerst een paar dagen ertussen uit gaat met Laurie, die kanker heeft. Ze kennen elkaar nog niet goed, weten niet wat ze aan elkaar hebben. Als het korte verhaal begint zijn ze op Carolina Beach, een winteravond, het is koud en het regent, ze wandelen. Vincent voelt zich tot Laurie aangetrokken, misschien deels ook vanwege haar ziekte, hij doet pogingen dichterbij te komen, geestelijk, lichamelijk, hij wil met haar naar bed. Het is hem aanvankelijk onduidelijk wat Laurie wil, of hij inderdaad haar zo dichtbij mag leren kennen.

Er is ook het niveau van de narratieven. Daar gaat het over het narratief van Vincent en het narratief van Laurie. Als ze door de regen lopen, schrijft Canty:

Laurie draagt een rode bandana om haar hoofd die inmiddels nat is van de regen en stuivende druppels. Het natte katoen plakt tegen haar hoofd, dat helemaal kaal is. Haar schedel, denkt Vincent. Hij kan er niets aan doen.

Hieruit kunnen we opmaken dat er een tegenstelling zit in het narratief van Vincent. Als hij haar hoofd ziet moet hij denken aan een schedel, maar blijkbaar mag hij van zichzelf niet die associatie hebben, hij rechtvaardigt zichzelf door te stellen dat hij niets aan die gedachte kan doen. Zo’n tegenstrijdigheid binnen het individuele narratief kun je een intern conflict noemen.

Even later vertelt Laurie dat ze geen medelijden wil. Canty vervolgt:

Hij kijkt weg naar de zee om niet betrapt te worden. Hij heeft zelf medelijden met haar.

Hier zien we twee tegenstellingen: de eerste is die tussen de twee personages. Laurie wil geen medelijden, dat is háár narratief; Vincent voelt wel  medelijden voor haar, dat is zíjn narratief, en die twee narratieven botsen met elkaar, een uiterlijk conflict. De tweede tegenstelling is die binnen het narratief van Vincent, hij voelt medelijden voor Laurie en wil dat ontkennen, een innerlijk conflict.

In de volgende blogpost gaat de bespreking van dit korte verhaal verder.

Vanuit het begin

Voor het oktober-novembernummer van Schrijven Magazine schreef ik een essay over ruimte — over de ruimte van de schrijver en de ruimte van het verhaal. Een deel van het artikel gaat over hoe het verhaal zich ontwikkelt vanuit zijn eigen begin.

Een citaat: “Het leven denkt niet: hoe nu verder, waar zal ik eens naartoe werken? Het gaat gewoon verder met wat er is, met dingen die je al gezien had en met dingen die je tot dan toe over het hoofd had gezien. [En zo gaat het ook met het schrijven van een verhaal.] Als je goed genoeg kijkt, als je goed genoeg leest wat je daadwerkelijk geschreven hebt, kan het zich openbaren.”

In dat kader citeer ik ook Pavese: “Wanneer de eerste regel van het verhaal is geschreven zijn de stijl, de toon en de wending van de feiten al gekozen. Is de eerste regel gegeven, dan is het verder een kwestie van geduld: al het overige moet, en kan, eruit voortkomen.” (Cesare Pavese, Leven als ambacht, 22 juli 1938)

Mijn vriendin las het artikel en we spraken er samen over bij mij thuis op de bank. Ze had wat nuanceringen bij het idee dat het einde van het verhaal kan voortkomen uit het begin ervan. Luister met ons mee:

Collectief versus individueel narratief, een vraag van mijn vriendin (1)

Mijn vriendin mailde me:

“Collectieve narratieven vind ik interessant. En meer nog dan religie (die misschien een heel voor de hand liggende is) vind ik bijvoorbeeld het collectieve narratief over wat ‘vertrouwen’ is, of wat ‘liefde’ is of wat ‘familie’ is interessant, en hoe je je collectieve narratieven of misschien culturele narratieven in jezelf kunt ontdekken en hoe je jezelf daarvan kunt bevrijden.”

Mijn eerste reactie daarop:

Ik geloof niet dat collectieve narratieven iets zijn waarvan een mens zich per se moet bevrijden (al weet ik eigenlijk ook niet of je dat bedoelt, wie weet bedoel je het anders).

Natuurlijk, het lijkt me goed om te kijken naar wat onze narratieven zijn — zowel de individuele als de collectieve — het is goed om ons bewust te worden van welke gedachten en welke aannames we hebben, of ze juist zijn, of ze werkbaar zijn, of ze overeenstemmen met de waarden die we denken te hebben.

Maar het hebben van narratieven is niet per se iets waarvan we verlost hoeven te worden.

Zowel individuele als collectieve narratieven bepalen onze identiteit, en ik denk niet dat we zonder die identiteit, of zonder een identiteit, kunnen leven. Al kunnen we wel vraagtekens bij die identiteit zetten en waar nodig en mogelijk onze identiteit en ons narratief proberen aan te passen.

Ook zonder onze collectieve narratieven en zonder collectieve identiteit kunnen we niet. Het zou anders onmogelijk zijn om met elkaar te praten, omdat zowel taal als geschiedenis als de maatschappij er deel van uitmaken. Zonder een collectief of cultureel narratief hebben weg geen gemeenschappelijk kader en  zouden we elkaar niet kunnen begrijpen.

Het kan zijn dat er iets is in het collectief narratief zit waarmee we ons niet willen vereenzelvigen, dat we niet deel willen laten zijn van ons individuele narratief. Daar zit dan conflict.

Maar goed, dat gaat alleen nog maar over een deel van je vraag, namelijk over  het ons bevrijden van het collectieve narratief. Dat laat nog onbeantwoord je vraag in hoeverre het collectieve narratief zich laat ontdekken in ons persoonlijke narratief, bijvoorbeeld als het gaat om vertrouwen, liefde of familie. Daar wil ik graag een volgende keer verder over schrijven.

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (4)

Sinterklaas, God, reïncarnatie… de gesprekken daarover met mijn dochter… als ik er nu op terugkijk was er steeds een collectief verhaal waartoe we ons te verhouden hadden. En ik had me ook te verhouden tot háár verhaal, voor mij was het ook interessant welk verhaal ik aan haar doorgaf en welk verhaal zij zichzelf vertelde.

Ik herinner me ook onze gesprekken die los leken te staan van geloof. Gesprekken die gingen over het echte leven: over vriendschappen, relaties, werk — de vreugde en het verdriet daarover. Ze zei me eens dat haar moeder en ik haar een overwegend zonnige jeugd hadden gegeven maar dat ze zich daarin niet helemaal voorbereid voelde op hetgeen later kwam en dat soms niet zo zonnig was: een vriendin die de vriendschap opzegde, een collega die geen zin had in het werk en die neerkeek op iedereen die er wel zin in had.

En toch, het verschil tussen de gesprekken over het geloof en die over het echte leven lijkt — nu ik er over nadenk — niet zo groot. Ging het in haar jeugd meer over verhalen zoals dat over Sinterklaas waarvan het duidelijk was dat het een verhaal was, toen ze ouder was en het over werk en vriendschappen en relaties ging, ging het eigenlijk nog steeds over verhalen, maar nu presenteerden ze zich niet nadrukkelijk als zodanig. Het waren meer verwachtingen, onbewuste aannames over hoe iets hoort te zijn en over hoe iets zal zijn, maar ook dat zijn narratieven, soms individueel en soms collectief.

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (3)

Een van de eerste verhalen die we onze dochter vertelden, zal het verhaal van Sinterklaas geweest zijn. Ik was daar geen voorstander van, ik wilde haar niet iets doen geloven dat niet waar was, maar haar moeder zei dat het geluk van een paar jaar in Sinterklaas geloven opwoog tegen de leugen, en ik ging daarin mee. Toen mijn dochter vijf of zes was en de zeepbel uiteen spatte, zei mijn dochter dat ze het niet had willen missen.

Een paar jaar later vroeg ze me of God bestond. ‘Wil je dat God bestaat?’ vroeg ik. ‘Heb je hem nodig? Is hij belangrijk voor je?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘voor mij hoeft het niet.’ ‘Dan bestaat hij niet,’ zei ik. ‘Maar,’ zei ze, ‘mijn buurmeisje heeft haar vader verloren, ik kan me voorstellen dat God voor haar wel belangrijk is.’

Nog later, ik denk in de tijd dat ze aan het studeren was, kwam het gesprek op reïncarnatie, of ze daarin geloofde. ‘Nee, dat wil ik niet,’ zei ze, ‘over is over, als het leven voorbij is heb ik mijn rust wel verdiend.’ ‘Ben je het leven moe, lieverd?’ vroeg ik, niet helemaal on topic. ‘Nee,’ zei ze, ‘dat niet, het leven is goed zolang het duurt, maar daarna is het wel klaar, het moet niet eeuwig doorgaan.’

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (2)

Toen ik de film ‘3 Days in Quiberon’ keek, was mijn eerste reactie: de journalist van STERN die Romy Schneider in een collectief narratief wil plaatsen is slecht, Romy Schneider die haar individuele narratief wil vertellen is goed, en ik ben ook goed, want ik vind het verachtelijk dat deze journalist ten koste van Romy Schneider een artikel wil publiceren.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Het collectieve narratief is niet iets wat in handen is van één persoon, van één journalist. Zoals de term al doet vermoeden, is het collectieve narratief van een groep, en als je de term ‘cultureel narratief’ zou gebruiken is het zelfs het verhaal van een hele cultuur. Het culturele narratief is van iedereen.

Door films te kijken van Romy Schneider, door over haar te lezen, door deze gefictionaliseerde documentaire van haar te bekijken, door er nu over te bloggen, maak ik net zo goed onderdeel uit van dat collectieve narratief als de journalist van STERN.

Een bijzonder gegeven is dat de journalist die destijds het interview heeft afgenomen — een interview trouwens dat door Romy Schneider werd geautoriseerd — zijn medewerking heeft verleend aan deze gefictionaliseerde film door de regisseur inzicht te geven in hoe hij destijds te werk is gegaan. En de fotograaf van destijds heeft de vele foto’s die hij die drie dagen heeft geschoten, gedeeld met de regisseur. Daarmee hebben ze geholpen om te laten zien hoe het interview tot stand kwam, en meegewerkt aan een film die laat zien hoe collectieve narratieven werken.

Zien hoe narratieven werken, vind ik bij nader inzien interessanter dan er een moreel oordeel over te hebben.