Behoud van het narratief (4)

Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan.

Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.

Een voorbeeld van zo’n collectief narratief is religie. Dat narratief is — in het geval van het Christendom — door vele generaties opgebouwd en uitgebreid, eeuwenlang is erin geïnvesteerd. Er werden kerken voor gebouwd, er werden oorlogen voor gevoerd, er werden maatschappijen volgens dit collectieve narratief ingericht.

Toen Darwin duidelijk maakte dat we niet van Adam en Eva afstammen maar, om het populair te zeggen, van de apen, en toen Nietzsche verklaarde dat God dood is, toen konden we van zo’n langdurig, uitgebreid en diep geworteld narratief als het Christendom niet verwachten dat het zou zeggen: ‘Aha, oké, bedankt voor de informatie, dan weet ik dat, ik zal mezelf opheffen.’

Maar het narratief moest zich op den duur toch iets aantrekken van het te groot geworden verschil met hetgeen zich buiten het narratief bevond. Dus deed het wat narratieven in zo’n situatie doen: een poging om met zo groot mogelijk behoud van zichzelf, zo min mogelijk aanpassingen te maken. En zo ontstond onder andere het theïstisch evolutionisme, volgens welke God de schepper is van de evolutie.