Beginnen (3)

Er is nauwelijks een sterker begin te vinden dan dat van het Bijbelse scheppingsverhaal. In slechts een paar alinea’s zet het zo krachtig een verhaal neer, dat er een boek — en een conflict — van tweeduizend pagina’s uit kan ontstaan.

Dat kan doordat het van meet af aan voorbeeldig gebruik maakt van narratieve elementen, zoals tijd, ruimte en perspectief.

Meteen in de openigszin verschijnt het hoofdpersonage ten tonele: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” God als protagonist, om hem draait dit verhaal.

In de volgende alinea’s worden tijd en ruimte gecreëerd, en wel vanuit het perspectief van het hoofdpersonage, vanuit God, het is zijn geest van waaruit tijd en ruimte ontstaan. En dat is wat narratieven doen: hun eigen tijd en ruimte creëren.

Eerst creëert God de tijd: “God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.” Daarna schept hij de ruimte: “God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het.”

Een ander narratief element is taal. In Genesis ontstaat de hele schepping vanuit taal, vanuit spraak, vanuit wat God zegt wat er moet zijn. Narratieven zijn taal en ze onstaan ook in taal.

Ook de tegenspelers van God, de antagonisten, de mensen, worden vanuit zijn taal en zijn beleving geschapen. “God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.'”

Iemand scheppen naar je evenbeeld, vanuit je eigen denken en taal, dat is wat mensen en personages doen: de ander niet aanzien voor wie hij is, maar zien als iemand op wie je van alles van jezelf kunt projecteren. Het scheppingsverhaal doet dat in extremo.