Niet de schrijver maar het personage (1)

“Het kan zijn dat je als schrijver zelf moeite hebt om een verhaal te vertellen. Soms zit dan de oplossing erin dat je deze moeite doorgeeft aan je personages en dat je laat zien hoe moeilijk het voor hen is.” Dit schreef ik onlangs in deze blogpost.

Laatst besprak ik dit principe met studenten. En nog in diezelfde les liepen we tegen dat principe aan in hun eigen werk.

Een van de studenten schreef in haar verhaal over een vader-dochter-relatie. De dochter kwam in de puberteit, en de student vroeg aan ons hoe ze voortaan de vader zou aanduiden. Papa (zo noemde de dochter hem toen ze jonger was)? Mijn vader? Hem bij zijn voornaam noemen?

Een mede-student gaf als tip dat die vraag onderdeel van het verhaal kon worden, dat het een probleem van de personages kon worden, dat het meisje een keuze moest maken en daarover kon twijfelen, of dat de vader kon reageren op hoe ze hem noemde.

Nog een voorbeeld. Een van de schrijvers in de groep wilde niet te sentimenteel schrijven. Dat deed ze ook niet, misschien juist omdat ze er zich zo bewust van was dat ze het niet wilde. Maar dat was niet enige dat het mogelijke euvel verhielp, ze speelde ook een troef uit. In haar verhaal beschuldigde namelijk een van de personages het andere personage van ‘vals sentiment’. Voilà, de schrijver had het probleem aan haar personages gegeven.

Narratief in transitie (5)

Carolina Beach van Kevin Canty, vertelt het verhaal van een vrouw die ernstig ziek is (Laurie) en een man (Vincent) die in haar leven komt en iets met haar wil, hij weet zelf ook niet helemaal wat. Ze brengen een middag door op een verregende boulevard — daar begint het verhaal — en  ze zullen mogelijk ook, voor het eerst, samen een nacht in het hotel doorbrengen. Intussen zit hij in zijn belevingswereld en zij in de hare. En die twee verschillende belevingswerelden, die twee verschillende narratieven, dat is wat conflict geeft, zoals we in eerdere blogposts zagen.

Maar het verhaal gaat niet alleen over verschillende belevingswerelden, het verhaal gaat ook over levens die in transitie zijn.

Vincent is gescheiden en vrijgezel, als hij een relatie met Laurie krijgt, zal zijn leven er anders uitzien. Niet alleen omdat hij dan niet meer alleen is, maar ook omdat er, vanwege de ziekte van Laura, dan grote onzekerheid zal zijn. Zoals Laurie het formuleert:

‘Ik ga het niet redden, Vincent,’ zegt ze. ‘Dit loopt niet goed af.’

‘Dat weet je niet,’ zegt hij.

‘Inderdaad,’ zegt ze. ‘Jij weet het ook niet. Niemand weet het. Het is maar een getal, vijftig procent.’

En zoals duidelijk zal zijn, ook Lauries leven is in transitie. Een tijd geleden was ze gehuwd, was haar lichaam gezond, zorgde ze zelf voor haar kinderen. Nu is ze gescheiden, gaat ze mogelijk een nieuwe relatie aan, is ze ziek, zorgt de nieuwe partner van haar ex mede voor de kinderen.

Terwijl het verhaal verteld wordt, zijn hun levens zich aan het voltrekken. Ook daarin zit spanning, in die transitie, en die spanning hoeft dus niet, of niet alleen, te komen uit het conflict van twee verschillende belevingswerelden.

Hier vind je de eerdere blogposts over Carolina Beach. En hier vind je de bundel Honeymoon (met daarin het verhaal) bij Bol.

Narratief in transitie (4)

Even een pas op de plaats. Even recapituleren wat er de vorige blogposts voorbij kwam.

Spanning kan voortkomen uit personages die elkaar niet begrijpen, die langs elkaar heen praten, die ieder gevangen zitten in hun eigen narratief.

Maar de spanning kan ook uit iets anders komen. Er kan ook spanning zijn als personages elkaar wel begrijpen, als hun narratief wel samenvalt met datgene dat er buiten hun narratief is, met het narratief van de ander bijvoorbeeld. De spanning kan dan komen van transitie, van omstandigheden die veranderen en van het aanpassen van het narratief daarop.

In de volgende blogposts zal ik een verhaal erbij pakken dat ik eerder hier besprak: het verhaal Carolina Beach van Kevin Canty. Eerder ging ik hierbij in op het gevangen zitten in het eigen narratief. De komende post zal ik ingaan op een ander aspect, namelijk dat van transitie, en laten zien hoe hun narratief moet zien mee te groeien van de oude naar de nieuwe situatie.

Hier vind je de eerdere blogposts over Carolina Beach. En hier vind je de bundel Honeymoon (met daarin het verhaal) bij Bol.

Narratief in transitie (3)

Verhalen gaan vaak over iets anders dan waarover ze aanvankelijk lijken te gaan.

Laat ik dat duidelijk maken door voort te borduren op een voorbeeld uit de vorige blogpost. Een meisje heeft het moeilijk op de middelbare school en haar ouders willen haar helpen. Het verhaal lijkt dan de vraag op te roepen: hoe kunnen ze haar zo goed mogelijk helpen? Een lezer verwacht dan van het verhaal te weten te komen hoe de ouders helpen, hoe ze problemen overwinnen en of ze uiteindelijk in hun missie slagen.

Maar terwijl het verhaal en de personages en de lezers zich richten op het aanvankelijk probleem, gaat het leven verder, veranderen de omstandigheden, is alles in transitie. Het meisje wordt ouder en moet zien los te komen van haar ouders, en de ouders moeten haar zien los te laten. Daar gaat het verhaal uiteindelijk om. Wat begint met een hulpvraag eindigt met elkaar loslaten.

Je kunt een verhaal dan ook niet beëindigen met het beantwoorden van de oorspronkelijke vraag, al lijkt het verhaal daar lange tijd op aan te sturen. Uiteindelijk moet je als schrijver laten zien dat zich een nieuwe vraag aftekent en wat dat betekent voor het oorspronkelijke narratief van de personages. Je moet laten zien wat er onder het oorspronkelijke verhaal vandaan komt, wat eronder zichtbaar wordt.

Narratief in transitie (2)

In de vorige blogpost schreef ik dat spanning niet per se hoeft te komen van twee personages die ieder in hun eigen narratief leven en van daaruit zich niet in de ander kunnen verplaatsen. Spanning kan er ook zijn als mensen elkaar wel begrijpen, als ze zich wel in de ander kunnen verplaatsen, maar als de omstandigheden waarin ze zitten veranderen. En omstandigheden veranderen altijd.

Een voorbeeld.

Een dochter zit op de middelbare school en heeft het daar moeilijk. Haar ouders begrijpen dat, willen er voor haar zijn en kunnen er ook voor haar zijn, ze ondersteunen haar. De dochter en haar ouders hebben narratieven die samenvallen. Tussen hen drieën lijkt geen spanning te zijn.

Maar tegelijkertijd veranderen ook de omstandigheden, de dochter wordt steeds meer volwassen, voelt de behoefte en misschien ook wel de verplichting om haar zaken zelf te regelen. En hoewel de ouders dat begrijpen en ook daarin willen voorzien, is er toch een aanpassing nodig in het narratief, of beter gezegd in hun narratieven, die zich moeten voegen naar de nieuwe situatie. Ze moeten met hun drieën zien te komen van het oude narratief waarin de ouders de dochter maximaal ondersteunen, naar een nieuw narratief waarin de ouders de dochter ook loslaten.

De nieuwe situatie zal binnen de oude situatie niet meteen duidelijk zijn, niet meteen gezien worden. Er zullen eerste tekenen zijn, wellicht klein, daarna komen er meer tekenen, groter wellicht. En er is het kijken naar elkaar, het kijken naar de ander: zien jullie wat ik zie? Zien jullie, net als ik, dat er iets aan het veranderen is? Van het oude naar het nieuwe narratief komen is een proces, een proces waarbij het steeds aftasten is wat de nieuwe omstandigheden zijn en hoe daarmee in vrede te leven, hoe het nieuwe narratief een plaats te geven en het oude los te laten.

Narratief in transitie (1)

Conflict in de verhalen die ik schrijf, soms staat het me tegen om steeds maar vanuit conflict te moeten werken.

Alweer twee mensen die langs elkaar heen praten.

Alweer iemand die zich niet of niet helemaal in de ander kan verplaatsen.

Alweer iemand die in zijn eigen narratief gevangen zit.

Maar het moet, gevangen zitten in het eigen verhaal, zo lijk ik te vinden, zo lijk ik hier steeds in de blogposts te beweren. Iemand leeft in zijn eigen narratief, en iemands narratief valt nooit helemaal samen met de werkelijkheid, nooit helemaal samen met het narratief van iemand anders, en dus is er conflict. Groot conflict, klein conflict, maar hoe dan ook: conflict. Zonder dat conflict geen verhaal.

Maar is dat wel zo? Kan het niet anders? Ben ik wel gedoemd om zolang ik schrijf mensen langs elkaar heen te laten praten, elkaar niet te laten begrijpen?

Misschien kan het anders, ja.

Ik had het er laatst over met een student. We bespraken een verhaal van haar. De vrouw in dat verhaal is zwanger, de vriend weet daar niet van. Dat was spannend, dat was conflictueus, maar het leek niet helemaal bij het personage te horen. En dus vroegen we ons af of het niet zonder het geheim kon, of de vriend het niet gewoon wel kon weten.

Maar als de vriend het wel weet, zo dachten we hardop, waar komt dan de spanning in het verhaal vandaan? Voor de hand lag: de een wil wel een kind en de ander wil het niet. Dan is het toch weer spannend. Maar dan heb je ook weer twee verschillende narratieven, twee verschillende werelden waar in de een het een wil en de ander het ander. Wat nou als ze gewoon wel allebei een kind willen, en ze elkaar begrijpen in de behoefte en elkaar in die behoefte kunnen voorzien? Dan lijkt er geen conflict te zijn. Dan lijkt er geen spannend kort verhaal mogelijk.

Maar ook dat uitgangspunt klopte niet. Want wat er meespeelt, wat er misschien altijd wel meespeelt, is dat het ook om een transitie gaat.

Transitie.

Eerst is er de situatie waarin ze geen kind hebben en waarin ze met die situatie leven, waarin ze die situatie inbedden in hun afzonderlijke narratieven en in hun gezamenlijk narratief.

Vervolgens is er de situatie waarin ze wel een kind willen, waarin de vrouw zelfs zwanger is, en waarin ze die nieuwe situatie willen inbedden in hun nieuwe gezamenlijk narratief.

De spanning zit er dan in hoe ze van het oude gezamenlijke narratief naar het nieuwe gezamenlijke narratief komen.

J.M. Coetzee en Arabella Kurtz over narratieven in literatuur en therapie

Het werk van de fictie-schrijver kan lijken op dat van de psychotherapeut. Zowel de schrijver als de therapeut  hebben oog voor het narratief; de schrijver voor het narratief van het personage, en de therapeut voor dat van de cliënt. Beiden zien hoe dat narratief kan botsen met de werkelijkheid buiten het narratief, hoe het narratief inconsequent is, en hoe dat tot problemen kan leiden. Zowel de schrijver als de therapeut kunnen dat narratief uitdagen om de ander te bevrijden, om de ander te helpen tot een narratief te komen dat minder conflictueus is.

In het boek ‘Het goede verhaal’ gaan Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee en psychoanalyticus Arabella Kurtz hierover met elkaar in gesprek. Ze stellen elkaar vragen over narratieven: de schrijver aan de therapeut, en de therapeut aan de schrijver.

Zo vraagt Coetzee zich af:

“Wat is het dat jou, als therapeut, beweegt om je cliënten te confronteren met de waarheid over henzelf, in tegenstelling tot met hen samenwerken of samenspannen om tot een verhaal te komen — laten we het fictie noemen, maar bekrachtigende fictie — dat de cliënt een goed gevoel zou geven over zichzelf, goed genoeg om de wereld in te stappen en beter in staat te zijn om lief te hebben en te werken?”

En Kurtz vraagt aan Coetzee:

“ Resoneert bij jou, als schrijver, het idee om vanuit maskerende narratieven te komen tot een waarachtiger narratief? Ik bedoel waarachtiger in de zin van een poëtische of emotionele waarheid, waarbij het gaat om waarachtig naar zichzelf te zijn, intern coherent, en in overeenstemming met de dingen buiten zichzelf, maar niet noodzakelijk op een manier die transparant of direct is? En wat schrijvers weten, en psychotherapeuten mogelijk van hen kunnen leren, is geloof ik dat de beste manier om te proberen tot iets te komen dat zowel waar als nieuw is, of waarvan het nieuw is om zich ervan bewust te zijn, vaak een creatieve manier is, of ten minste in tegenspraak met wat waar is op een niet onderzochte manier in onze gemeenschappelijke, gedeelde realiteit.”

Het boek ‘Het goede verhaal’ is de vertaling van ‘The good story’. Je kunt het inzien via Bol.

Het onvermogen om tot een verhaal te komen (2)

In de vorige blogpost kon je lezen over het onvermogen om tot een verhaal te komen: “Verhalen gaan over verhalen. En omdat mensen en personages vaak niet tot een verhaal kunnen komen, gaan verhalen ook over het onvermogen om tot een verhaal te komen.”

Ik had al eerder daarover geschreven, maar nog niet op deze site. Voor de Groene Amsterdammer schreef ik in 2010 een artikel over Anton Tsjechov, die vaak schrijft over het onvermogen.

Zoals in het verhaal ‘Een schatje’ (1899). In dit verhaal maken we kennis met de goeiige Olenka. Ze heeft geen eigen verhaal, geen eigen identiteit, ze is daarnaar op zoek. Als ze een impresario huwt, praat ze hem na over toneelvoorstellingen. Als ze na zijn overlijden een beheerder van een houtdepot trouwt, vertelt ze dat het hout tegenwoordig met twintig procent per jaar omhoog gaat. En wanneer ze vervolgens met een veearts trouwt, wordt het zíjn verhaal dat ze vertelt – al stelt hij dat niet echt op prijs.

Als ze ook haar laatste partner en met hem de zin van haar leven kwijt is, schrijft Tsjechov:

En wat nog het allerergste was – ze had geen meningen meer. Ze zag de voorwerpen om zich heen en begreep alles wat er om haar heen gebeurde, maar ze kon zich nergens een mening over vormen en wist niet waarover ze moest praten. En wat is het vreselijk om helemaal geen mening te hebben! Je ziet bijvoorbeeld een fles staan, of het regent, of er rijdt een boer op een kar langs, maar waar die fles of die regen of die boer toe dienen, wat ze betekenen, dat kun je niet zeggen.

Tsjechov weet hier tot een verhaal te komen via het onvermogen van zijn personage.

Mijn complete artikel over Tsjechov — en enkele andere schrijvers — kun je op de site van De Groene Amsterdammer lezen.

 

Het onvermogen om tot een verhaal te komen (1)

Verhalen gaan over verhalen. En omdat mensen en personages vaak niet tot een verhaal kunnen komen, gaan verhalen ook over het onvermogen om tot een verhaal te komen.

Schrijvers kunnen dit onvermogen van het personage tonen, ze kunnen erover verhalen. Het is daarmee niet het onvermogen van schrijvers zelf om tot een verhaal te komen, ze laten het alleen maar zien.

Het kan zijn dat je als schrijver zelf moeite hebt om een verhaal te vertellen. Soms zit dan de oplossing erin dat je deze moeite doorgeeft aan je personages en dat je laat zien hoe moeilijk het voor hen is.

Hierover gingen mijn vriendin en ik in gesprek. Luister met ons mee:

Het ingebeelde narratief – wat je denkt dat de ander over je denkt

Mijn vriendin en ik spraken over het ingebeelde narratief. Dat is eigenlijk een pleonasme, want ieder narratief is ingebeeld. Wat me ermee bedoelen is: dat wat je denkt dat de ander over je denkt.

Wat gebeurt er als je je te verhouden hebt tot twee mensen, tot twee ingebeelde narratieven die bovendien ook nog eens tegenstrijdig zijn?

We zaten bij een bevriende schrijver op de bank erover te praten. Als je je afvraagt wat je op de achtergrond hoort: er wordt voor ons gekookt.