Narratief in transitie (2)

In de vorige blogpost schreef ik dat spanning niet per se hoeft te komen van twee personages die ieder in hun eigen narratief leven en van daaruit zich niet in de ander kunnen verplaatsen. Spanning kan er ook zijn als mensen elkaar wel begrijpen, als ze zich wel in de ander kunnen verplaatsen, maar als de omstandigheden waarin ze zitten veranderen. En omstandigheden veranderen altijd.

Een voorbeeld.

Een dochter zit op de middelbare school en heeft het daar moeilijk. Haar ouders begrijpen dat, willen er voor haar zijn en kunnen er ook voor haar zijn, ze ondersteunen haar. De dochter en haar ouders hebben narratieven die samenvallen. Tussen hen drieën lijkt geen spanning te zijn.

Maar tegelijkertijd veranderen ook de omstandigheden, de dochter wordt steeds meer volwassen, voelt de behoefte en misschien ook wel de verplichting om haar zaken zelf te regelen. En hoewel de ouders dat begrijpen en ook daarin willen voorzien, is er toch een aanpassing nodig in het narratief, of beter gezegd in hun narratieven, die zich moeten voegen naar de nieuwe situatie. Ze moeten met hun drieën zien te komen van het oude narratief waarin de ouders de dochter maximaal ondersteunen, naar een nieuw narratief waarin de ouders de dochter ook loslaten.

De nieuwe situatie zal binnen de oude situatie niet meteen duidelijk zijn, niet meteen gezien worden. Er zullen eerste tekenen zijn, wellicht klein, daarna komen er meer tekenen, groter wellicht. En er is het kijken naar elkaar, het kijken naar de ander: zien jullie wat ik zie? Zien jullie, net als ik, dat er iets aan het veranderen is? Van het oude naar het nieuwe narratief komen is een proces, een proces waarbij het steeds aftasten is wat de nieuwe omstandigheden zijn en hoe daarmee in vrede te leven, hoe het nieuwe narratief een plaats te geven en het oude los te laten.