Beginnen (3)

Er is nauwelijks een sterker begin te vinden dan dat van het Bijbelse scheppingsverhaal. In slechts een paar alinea’s zet het zo krachtig een verhaal neer, dat er een boek — en een conflict — van tweeduizend pagina’s uit kan ontstaan.

Dat kan doordat het van meet af aan voorbeeldig gebruik maakt van narratieve elementen, zoals tijd, ruimte en perspectief.

Meteen in de openigszin verschijnt het hoofdpersonage ten tonele: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” God als protagonist, om hem draait dit verhaal.

In de volgende alinea’s worden tijd en ruimte gecreëerd, en wel vanuit het perspectief van het hoofdpersonage, vanuit God, het is zijn geest van waaruit tijd en ruimte ontstaan. En dat is wat narratieven doen: hun eigen tijd en ruimte creëren.

Eerst creëert God de tijd: “God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.” Daarna schept hij de ruimte: “God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het.”

Een ander narratief element is taal. In Genesis ontstaat de hele schepping vanuit taal, vanuit spraak, vanuit wat God zegt wat er moet zijn. Narratieven zijn taal en ze onstaan ook in taal.

Ook de tegenspelers van God, de antagonisten, de mensen, worden vanuit zijn taal en zijn beleving geschapen. “God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.'”

Iemand scheppen naar je evenbeeld, vanuit je eigen denken en taal, dat is wat mensen en personages doen: de ander niet aanzien voor wie hij is, maar zien als iemand op wie je van alles van jezelf kunt projecteren. Het scheppingsverhaal doet dat in extremo.

Beginnen (1)

Een nieuw schooljaar, ik loop het klasklokaal binnen, er zit een nieuwe groep, een groep die ik het komende semester les zal geven.

Nieuwe gezichten, ik probeer ze in me op te nemen, probeer ze te onthouden. Jij lijkt op die en die, je hebt net zo’n donkere blik en van die grote oren, dat kan ik onthouden. En jij lijkt op die en die, je bent net zo beweeglijk en je blijft maar praten, ook dat kan ik onthouden.

Een nieuwe situatie zetten we vaak af tegen een bekende situatie. We proberen de situatie zo min mogelijk nieuw en onbekend te laten zijn.

Het kan zijn dat ik de groep een voorbeeld geef dat ik gewoonlijk geef, maar dat het nu niet blijkt te werken. Of dat degene die nogal beweeglijk is en veel praat, als eerste terug is van de pauze, terwijl ik beweeglijk zijn en veel praten had geassocieerd met te laat komen. Of dat de vrijheid die ik geef en die meestal gewaardeerd wordt, nu wordt gezien als gebrek aan structuur en tot weerstand leidt.

Pas als er dingen anders gaan dan we gewend zijn, dringt tot ons door dat een situatie nieuw is.

Fouten maken, met lege handen staan, met een mond vol tanden, dat hoort allemaal bij nieuw, bij beginnen. Het vraagt om het loslaten van onze gewoontes en om het aanpassen van ons narratief. Pas als we de situatie kunnen zien voor wat die werkelijk is, zijn we voorbij het begin.

Gericht op het einde (3)

Een groot deel van het leesplezier bestaat uit de spanning, of het nu gaat om een detective, een historische roman of een psychologisch verhaal. Er is een conflict, er staat iets te gebeuren, en de lezer wil weten hoe het verdergaat, hoe het afloopt. Er is een gerichtheid op het einde, en het verhaal is een weg die naar dat einde leidt.

Dit zorgt vanzelf voor een eenheid en een samenhang in het verhaal. Er zijn dingen die met het conflict hebben te maken, en die krijgen een plaats in het verhaal, en er zijn de dingen die niets met het conflict hebben te maken, en die krijgen er geen plaats in. Dan is er nog een grijs gebied van zaken die er zijdelings mee te maken hebben, en daarvan moet de schrijver kijken of hij ze een plaats geeft. Lekker overzichtelijk, toch?

Maar in dat overzichtelijke schuilt ook een gevaar. Het verhaal kan er eentonig van worden, het kan diepgang missen, voorspelbaar worden. Want zelfs als je van te voren niet kunt weten wie de moord gepleegd heeft, als het verhaal alleen maar gaat over wie het gedaan heeft, dan wordt het toch voorspelbaar, namelijk in die zin dat je weet dat er een einde komt dat zal duidelijk maken wie de de dader is, that’s it, meer inzicht komt er niet. Er is alleen maar spanning.

De kunst is om in de spanning, om in de tijdsbeleving, een opening te maken waarin de lezer om zich heen kan kijken naar een onvermoede ruimte. Dat de spannende weg hem niet zozeer naar een einde leidt, als wel langs uitzichten en vergezichten onderweg.

Zoals in een eerder voorbeeld: een personage wil erkenning van zijn moeder, het hele verhaal is daarop gericht. Maar dan komt zijn moeder te overlijden en staat in zekere zin zijn tijd stil, valt de spanning weg, is er een niet-weten en een om zich heen kijken naar een nieuw oriëntatiepunt, naar een nieuw vergezicht, een nieuw narratief.

Gericht op het einde (2)

Ook bij een roman of een kort verhaal werpt het einde zijn schaduw vooruit. Dat speelt op twee manieren. Het personage richt zich op een einde, en ik als lezer richt me op een einde. Dat lijkt twee keer hetzelfde, en dat is het deels ook, maar er is ook een verschil tussen die twee.

Voor het personage gaat het waarschijnlijk om een oplossing, het gaat hem op het einde van het conflict waar hij in zit. Hij voelt zich bijvoorbeeld miskend door zijn moeder, en hij wil van zijn moeder erkenning. Hij gaat ervan uit dat als hij die erkenning van haar krijgt, dat dan zijn probleem is opgelost.

Tegelijkertijd blijft zijn narratief overeind, zelfs als het probleem is opgelost. Als zijn moeder erkent dat ze fout zat, bevestigt dat zijn narratief (of met andere woorden: zijn perspectief, zijn visie, zijn lezing, zijn verhaal). Hij heeft het al die tijd goed gezien.

Ik als lezer kan — als de roman of het korte verhaal me daartoe uitnodigt en adequaat is geschreven — meeleven met het personage en me ook richten op de oplossing van zijn probleem, op het einde van zijn vervelende situatie.

Maar er is ook het einde van de roman waarmee ik heb te dealen, en die twee — de oplossing voor het personage en het einde van de roman die ik lees — hoeven niet samen te vallen. Het kan zijn dat een oplossing van het probleem niet in zicht is, maar dat ik wel zie dat ik nog maar twee alinea’s heb te gaan voordat het verhaal stopt. Dat de roman of het korte verhaal stopt, daaraan heeft het personage geen boodschap, maar ik als lezer wel. Op dit punt hebben we verschillende belangen. Op dit punt scheiden onze wegen.

Als er voor het personage niet de oplossing komt die hij wenst, dan moet er iets met zijn narratief gebeuren, wil de roman of het korte verhaal ten einde kunnen komen. Dan moet er iets in het narratief van het personage ten einde worden gebracht, ook zonder dat het probleem voor het personage is opgelost op de manier zoals hij dat vanuit zijn narratief voor ogen had.

Een voorbeeld. Het kan zijn dat zijn moeder komt te overlijden, en dat het personage dus nooit meer haar erkenning zal krijgen. Wie weet kan hij daarmee toch leven, ondanks dat hij eerder dacht dat dat onmogelijk was. Dan kan hij deels volharden in zijn narratief, namelijk dat hem onrecht is aangedaan, maar deels past hij zijn narratief toch aan — al dan niet bewust — en komt er iets in dat narratief ten einde: namelijk het idee dat hij alleen maar verder met zijn leven kan als hij van zijn moeder erkenning krijgt.

Gericht op het einde (1)

Oudejaarsavond, de laatste minuut, ik kijk naar de klok. Ik ben me vooral bewust van de tijd die wegtikt, van het einde dat nadert.

Dan slaat de klok en verandert er iets in mij.  Misschien is het de vreugde van het nieuwe jaar — als het al vreugde is — die ik dan voel. Maar het is ook het loslaten van de spanning die zich heeft opgebouwd, het opheffen van de bewustzijnsvernauwing. Als de klok geslagen heeft, is er weer tijd waarbij niet stil hoeft te worden gestaan, is er weer ruimte.

Dat gericht zijn op het einde doet zich ook bij andere gebeurtenissen voor. In een pretpark bijvoorbeeld. Als ik in een attractie stap, dan ben ik de eerste tijd ondergedompeld in wat er te beleven valt, maar naarmate ik langer in de attractie zit, word ik me meer bewust van het einde, en gaat daar mijn aandacht naar uit. Hoe lang duurt het nog voor het karretje zijn laatste bocht maakt?

Meer voorbeelden. Weten dat de film bijna is afgelopen. Weten dat het ziekenbezoek bijna naar huis moet. Weten dat de meditatie bijna ten einde is.

Dat het einde in zicht is, doet iets met mijn beleving, doet iets met het narratief waar ik in zit. Het einde gaat over het einde, het richt de aandacht op zichzelf.

Ruimte en tijd (3)

Ik schreef aan een verhaal over een alleenstaande moeder die door een instantie onder druk wordt gezet om haar zoontje weer in contact te brengen met zijn vader, iemand met psychiatrische problemen, iemand die ze niet vertrouwt. Met haar rug tegen de muur doet ze uiteindelijk wat er van haar wordt geëist: op een zaterdagochtend neemt ze haar zoontje mee in de auto, op weg naar zijn vader. Daar liet ik het verhaal aanvankelijk beginnen, bij die rit in de auto. Vervolgens gebeurde er iets waardoor de auto tot stilstand komt en waardoor haar beleving en haar verhaal kantelen.

Het verhaal had potentie, maar het miste iets, al wist ik niet wat, en een tijdlang liet ik het ongemoeid. Ik denk dat ik me open wilde stellen voor een ingeving, al was ik me daar niet bewust van.

Toen herlas ik het verhaal Immigration van Richard Bausch uit zijn bundel Something is out there. In dat verhaal heeft de hoofdpersoon een afspraak om een verblijfsvergunning te regelen, er staat veel op het spel: niet alleen zijn verblijf, maar ook zijn toekomstige werk en zijn relatie. Op de ochtend van de afspraak verslaapt zich. Als hij wakker wordt en zich realiseert dat ze de wekker hebben gemist, verandert zijn tijdbesef, en daarmee zijn perceptie, alles komt onder druk te staan.

Ik vond dat mooi, hoe dat verslapen en het tijdsbesef iets met het personage en het verhaal deden. Ik liet ook mijn moeder zich verslapen. Ik startte het verhaal nu ruim voordat ze in de auto stapte, ik startte met de voorgaande nacht.

Wat het verslapen met mijn verhaal en met de moeder deed: het creëerde een tijdsbewustzijn, een narratieve tijd, een tijdbom. De moeder moest die zaterdagochtend niet enkel iets doen wat ze niet wilde, ze deed het ook nog eens onder tijdsdruk. Het bepaalde haar beleving van de ruimte: het huis waarin ze zich voorbereidde op het vertrek, werd een huis waarin ze gestresst van alles waarnam waarvan ze niet wilde dat het er was: het treuzelen van haar zoontje, haar ex die belde om te vragen waar ze bleef, haar eigen opgejaagde gedrag.

De onverwachte gebeurtenis die onderweg de auto tot staan bracht, en die al in de eerdere versie zat, werd nu een overgang van haast naar stilstand, het ging nu ook over haar tijdsbeleving, of sterker nog, het verhaal werd vanuit haar tijdsbeleving gevormd. Door het gedwongen stilstaan zag de moeder iets wat ze in haar haast en in haar focus op de tijd niet zou hebben gezien. Iets nieuws van de omgeving, iets nieuws van haar zoontje, iets nieuws van zichzelf.

Verhalen gaan over een verandering, zijn een verandering, groot of klein. Dat kan een verandering zijn in identiteit, of in perceptie van de omgeving, of in tijdsbeleving, of in al die zaken tegelijkertijd.

Overigens, het verhaal heet Tot hier ben ik gekomen en is te lezen in Hollands Maandblad (2016, nummer 11).

Ruimte en tijd (2)

Ik word langzaam wakker, voel dat de dekens zweterig klam zijn, het gordijn laat licht door. Een tijdlang doe ik niets, denk ik nauwelijks iets. Voor zover het me met mijn slaperige hoofd lukt neem ik alleen maar waar en vraag ik me af wat die waarnemingen te betekenen hebben.

Dan kijk ik op mijn mobieltje, acht uur, donderdagochtend, zo meteen moet ik de deur uit naar de therapeut.

Dat besef van tijd verandert iets aan mij en aan de kamer. De kamer en ik zijn nu anders dan voordat ik op mijn mobieltje keek.

Ik ben niet langer alleen maar wakker, ik heb iets te doen en ik heb dat binnen korte tijd te doen.

De kamer is nu vooral van belang voor zover hij me helpt om op te schieten, de deur uit te komen. De kast is er om een handdoek uit te pakken, de gordijnen zijn er om te beschermen tegen blikken van buiten als ik snel en bloot naar de douche loop.

Er is niet langer het niet-weten van toen ik net wakker was en nog geen besef van tijd had. Alles is nu functioneel.

Tijdsbesef is een laag over de ruimte heen. Tijdsbesef verandert de waarneming van de ruimte.

Of sterker nog. Tijdsbesef verandert niet alleen de waarneming van de ruimte maar maakt er onlosmakelijk deel van uit.

Ruimte en tijd (1)

Een zomeravond, ik zit op een grasveld te nietsen en kijk naar een plantje met grove, onregelmatige bladeren, bloemloos, wellicht is het onkruid. Mijn gedachten zeggen dat het niet voor de hand ligt om zo’n plantje aandacht te geven. Niemand geeft aandacht aan zo’n plantje.

Maar werd dit plantje op de maan aangetroffen (‘Er is leven op de maan!’), dan had ik voor de tv of voor mijn mobieltje gezeten om ieder detail ervan te bestuderen, dan was het het gesprek van de dag.

Die volle aandacht zou het plantje ook van me krijgen als het de laatste minuten van mijn leven waren en als ik zou weten dat dit het laatste was dat ik ooit te zien zou krijgen.

Op de maan of zomaar op een grasveld in de buurt. Op mijn sterfdag of op een doodgewone dag.

Plaats en tijdstip zijn onderdeel van ons narratief. En ons narratief bepaalt hoe we naar iets kijken, óf we naar iets kijken.