Een uitgewerkt voorbeeld van hoe narratieven werken in een kort verhaal — Kevin Canty, Carolina Beach (3)

We gaan verder met het verhaal waar we nu een paar dagen mee bezig zijn, ‘Carolina Beach’ van Kevin Canty. Vandaag kijken we naar de rol van woordkeus in het narratief.

Een eerste voorbeeld van hoe woordkeus en narratief elkaar beïnvloeden:

Laurie draagt een rode bandana om haar hoofd die inmiddels nat is van de regen en stuivende druppels. Het natte katoen plakt tegen haar hoofd, dat helemaal kaal is. Haar schedel, denkt Vincent. Hij kan er niets aan doen.

Vincent gebruikt hier in zijn denken over Laurie de woorden ‘haar schedel’, en creëert daarmee een narratief dat tegenstrijdig lijkt te zijn met een narratief dat hij blijkbaar ook heeft: dat hij zo niet mag denken over een ander, niet mag denken over Laurie. Hij wil haar zo niet zien, al ziet hij haar zo wel.

Een tweede voorbeeld van hoe woordkeus en narratief elkaar beïnvloeden, volgt even later als ze een surfer zien. Laura vraagt Vincent of hij kan surfen: 

Vincent kijkt langs zijn lijf omlaag, naar de bolling van zijn buik onder de parka, en lacht.

‘Ik zou de plank breken als ik het nu probeerde,’ zegt hij. ‘Maar ik heb het veel gedaan. We gingen vroeger elk weekend naar Wrightsville het hele eind vanuit Chapel Hill. Een uur of vier rijden, voordat de snelweg er kwam. Ik had een Volkswagenbusje met een matras achterin.’

‘Waar was dat voor?’

‘Dat kun je wel raden,’ zegt Vincent.

‘Ik wed dat je toen mooi was,’ zegt ze. ‘Surfjongen. Ik wed dat je slank en bruin was, en ik wed dat je zo’n gleuf in je rug had, zo’n smalle zachte gleuf. Vrouwen kijken naar mannen, wist je dat?’

‘Surfjongen’, dat is hoe Laurie Vincent wil zien. Hij is momenteel geen surfjongen meer, maar zij wil hem zo framen, door dit woord te gebruiken maakt ze hem een surfjongen. Het doet iets met Vincent en met zijn narratief. Een halve pagina later herhaalt Laurie het woord ‘surfjongen’ en naderen ze elkaar nog meer:  

Ze wil zijn hand niet loslaten. Ze trekt hem omlaag om naast haar op de bank te zitten, waarachter een wand de wind breekt, en ze neemt de natte, gedoofde joint uit zijn andere hand en nog wil ze zijn hand, daar in zijn zak, niet loslaten. Opeens is Vincent zich sterk bewust van haar lichaam, onder het leer en de trui en de spijkerbroek, naast hem. Laurie draagt vandaag haar neoborsten. Dat doet ze niet elke dag.

‘Ik wed dat je mooi was,’ zegt Laurie weer. ‘Surfjongen.’

Voordat ze nog iets kan zeggen, voordat ze de joint kan aansteken, buigt hij zich naar haar toe en kust haar voor de eerste keer. Op een of andere manier weet hij zelfs zichzelf te verrassen. Hij is zeker en kalm en ontspannen bij haar.

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (1)

Ook iemands naam is taal. En taal behoort tot het collectieve narratief. Iemands naam behoort dus tot het collectieve narratief.

In de film ‘3 days in Quiberon’ laat de actrice Romy Schneider zich in een afkick-kliniek een paar dagen lang interviewen door een journalist van STERN. De film is gespeeld, maar het interview heeft echt plaatsgevonden, het was het laatste interview dat Romy Schneider voor haar plotselinge dood gaf.

De journalist wil een stuk schrijven waarover gesproken wordt, een stuk dat de oplagecijfers omhoog stuwt, een stuk dat hem beroemd maakt. Daarvoor moet hij haar framen, daarvoor moet hij haar ondergeschikt maken aan het collectieve narratief dat het grote publiek van haar kent. Romy Schneider is voor hem en voor zijn lezers vooral de actrice die groot werd door Sissy te spelen. ‘Europa’s grootste vrouwelijke filmster (…) de bron van een publiek schandaal,’ zo noemt hij haar.

Romy Schneider geeft het interview juist om haar individuele narratief over het voetlicht te brengen. Ze wil de echte Romy Schneider laten zien, niet Sissy. ‘Ik ben niet de vrouwen die ik in mijn films speel. Ik ben een ongelukkige vrouw van 42 en mijn naam is Romy Schneider.’

De film laat de strijd tussen de journalist en de actrice zien, de strijd tussen het collectieve en het individuele narratief.

Dit is de trailer op YouTube.

Collectief narratief en taal (3)

Een paar jaar geleden vroeg mijn vriendin hoe ik het zou vinden om het contact dat we hadden voortaan een relatie te noemen.

Een relatie.

Zij had al een relatie met iemand anders, een fijne, polyamoreuse relatie, haar associaties bij het woord ‘relatie’ waren vooral positief, ze wilde daar wel meer van. Ik kwam uit een relatie waarvan het einde niet zo fijn was, ik hoefde daar niet meer van.

Mjn vriendin en ik, twee mensen met ieder een eigen, individueel narratief rondom het woord ‘relatie’. Het bleek op dat moment niet mogelijk om dat woord een gezamenlijke betekenis te geven. En het werd toen ook geen relatie, het werd iets ingewikkelds — en waardevols — waarvoor het moeilijk was om woorden te vinden.

Skip forward. We zijn een paar jaar en wat ervaringen, gesprekken en emoties verder. En we hebben een relatie, die we ook als zodanig benoemen. Wellicht kon dat gebeuren doordat we meer ervaring opdeden met wat een relatie voor ons kan betekenen. Het woord heeft nu meer een gemeenschappelijke geschiedenis en een gemeenschappelijk narratief.

Collectief narratief en taal (2)

Toen ik een boek schreef over het schrijven van korte verhalen, lag het voor de hand om woorden te gebruiken als ‘personage’, ‘spanningsboog’, ‘plot’, ‘conflict’, ‘dialoog’ en nog een paar van die woorden die je ook in andere boeken over schrijven en literatuur tegenkomt.

Maar ik had iets nieuws te vertellen, ik had in mijn jarenlange ervaring als schrijver van korte verhalen mechanismes ontdekt die ik niet in andere boeken over schrijven tegenkwam. Maar als ik alleen het gebruikelijke jargon zou gebruiken, zou ik al snel het collectieve narratief en de gebruikelijke gedachtes over het schrijven van verhalen terecht komen.

En dus gebruikte ik een metafoor. Ik kwam uit bij de fotografie. En zo kon ik het hebben over de sluitertijd van een verhaal, het kader ervan, de gulden snede, bokeh, vignettering en over de lagen in het beeld. Op die manier kon ik met ongebruikelijke woorden iets ongebruikelijks over korte verhalen verwoorden.

Collectief narratief en taal (1)

Eerder schreef ik: “Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.”

We maken niet onze eigen woorden, we gebruiken de woorden die de taal ons aanreikt. En taal, dat is onze geschiedenis, dat is onze maatschappij. We spreken de taal van onze geschiedenis en onze maatschappij.

Denken gebeurt in taal. Gedachtes zijn taal.

Als het zo is dat onze taal wordt gedefinieerd door de geschiedenis en de maatschappij, wordt ook ons denken daardoor gedefinieerd.

We hebben niet onze eigen gedachtes. We hebben de gedachtes die de maatschappij en de geschiedenis ons aanreiken.

Collectief narratief (2)

Mijn vriendin schreef me over collectieve narratieven:

“Ik denk inderdaad dat aan de gemeenschappelijkheid van taal niet te ontkomen valt. Ik denk wel dat er een verschil zit tussen een collectief narratief en een cultureel narratief.

Een collectief narratief kan ook het narratief zijn van een sub-cultuur of een nog kleinere groep mensen. Bijvoorbeeld, het collectieve narratief op de kunstacademie is dat je niet té ambitieus mag zijn en niet mag roepen dat je prijzen wilt winnen, maar dat je wel mag zeggen dat je van kunst zou willen rondkomen. Een ander collectief narratief op de kunstacademie is dat kunstenaars plat vermaak als Big Brother of GTST niet leuk vinden.

Een collectief narratief kan ook een familie-narratief zijn. Toen mijn ouders een huis hadden gekocht en dat aan mijn opa gingen vertellen, zei mijn opa verbaasd: “Een huis kopen is niet voor ons soort mensen weggelegd.” En het heeft lang geduurd voordat hij naar het huis van mijn ouders heeft willen kijken.

Een collectief narratief kan ook het ‘Heemskerk is beter dan Beverwijk’ gevoel zijn dat mensen in mijn omgeving hebben.

Ik denk dat een cultureel narratief alomvattender en onzichtbaarder is dan een collectief narratief. Een cultureel narratief spreidt zich uit over meerdere subculturen en er zijn soms maar weinig aanwijzingen voor behalve in ons taalgebruik.

‘Kanker is een gevecht’ is bijvoorbeeld zo’n cultureel narratief. Er zijn mensen die zich tegen dat narratief willen verzetten omdat ze iemand verloren hebben aan kanker, en het narratief suggereert dat hun geliefden dus niet ‘hard genoeg gevochten hebben’ of ‘de strijd verloren hebben’. Die mensen kunnen zich nog maar lastig uitdrukken, omdat de taal en de zinssnedes rondom kanker allemaal doorwrocht zijn met dat narratief.

Ook het gebruik van ‘homo’ en variaties daarop als scheldwoord zijn een cultureel narratief. ‘Je gooit als een meisje’ is ook een cultureel narratief.

Terwijl ‘Vrouwen zijn gelijk aan mannen en dienen gelijk behandeld te worden’ een collectief narratief is, volgens mij.

Nou ja, dit vind ik een interessant onderwerp. Hier raakt het mijn eigen werk ook, ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

Collectief narratief (1)

Eerder schreef ik: ‘Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan. Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.’

Een manier waarop collectieve narratieven proberen te overleven is door bezit te nemen van de taal.

Een voorbeeld daarvan is het onderscheid dat binnen ons collectieve narratief wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is een onderscheid dat van generatie op generatie via de taal is doorgegeven.

Als ik iemand zou vragen of hij de sleutels van mijn partner heeft gevonden, dan moet ik, als ik een bezittelijk voornaamwoord wil gebruiken, zeggen dat we haar sleutels zoeken, waarmee ik aangeef dat de sleutels aan een vrouw en niet aan een man toebehoren. Blijkbaar is dat verschil van collectief belang.

Het gaat me nu niet specifiek om de gender-discussie. Het gaat me erom dat ik als taalgebruiker een onderscheid moet maken dat al generaties in de taal gecodeerd is, en dat het moeilijk of bijna onmogelijk is om me uit te drukken zonder dat onderscheid en zonder de woorden die dat onderscheid aangeven.

Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.

Behoud van het narratief (1)

Wie de blogposts hier leest, zou het idee kunnen krijgen dat ik iets heb tegen het feit dat mensen en personages een narratief met zich meedragen.

Immers, een narratief komt maar zelden overeen met de werkelijkheid, en dat gebrek aan overeenkomst leidt tot conflict. De gedachte zou dan kunnen zijn: laat het narratief vallen, en leef alleen maar met de werkelijkheid die zich aandient, dan is er geen vertekening, geen conflict.

Maar.

We hebben ons narratief nodig. Ons narratief bevat in een notendop onze identiteit, onze visie, ons levensdoel, onze overtuiginen, ons geheugen. Het is ook snel toegankelijk, we hebben het altijd paraat.

Stel je voor dat je geen narratief hebt en dat je ’s morgens wakker wordt. Je zou het huis waarin je wakker wordt, beschouwen als zo maar een huis. De mensen die zich eventueel in dat huis bevinden, zoals een partner en een kind, worden willekeurige mensen.

Misschien zijn de gevolgen zelfs verstrekkender.

Misschien zou je zonder narratief het huis waarin je wakker wordt niet eens meer beschouwen als een huis, en de mensen die je ontmoet niet eens meer als mensen, en beschik je zonder narratief niet eens meer over de begrippen ‘huis’ en ‘mensen’ omdat alleen al voor het begrijpen daarvan een narratief noodzakelijk is. Wellicht kan zonder een specifiek huis en zonder specifieke mensen, nooit de betekenis van een huis en van een mens begrepen worden.

Beeld en narratief (2)

Eerst waren er alleen maar beelden, beelden die ik niet begreep, beelden zonder woorden.

Later waren er prentenboeken, ik zat bij mijn moeder op schoot, en mijn moeder wees plaatjes aan.

Schaap. Geit. Koe.

Beelden kregen een voice over, een klank, een woord.

En dat niet alleen, ze kregen ook een onderling verband. De koe stond naast het schaap. De geit stond achter de koe. Een kip kon fladderen en een koe niet.

Dat soort aanwijzingen zal mijn moeder niet alleen in prentenboeken hebben gegeven. Ze gaf die vast ook in de wereld buiten prentenboeken, zoals bij de kinderboerderij waar ze me in de kinderwagen naartoe reed.

Langzaam veranderde de wereld van woordloze beelden in een wereld van beelden met een voice over, in een wereld van narratieven.

Als ik nu ergens naar kijk, zijn er ook woorden. Het is moeilijk om te kijken zonder woorden, zonder te benoemen.

Beeld en narratief (1)

Een narratief bestaat uit taal. Zonder taal geen narratief.

Maar hoe zit het dan met beelden? Kunnen die op zichzelf een narratief vormen, zonder tussenkomst van taal?

Stel je voor: je zit in een lunchroom, je hebt uitzicht op de straat. Er fietst een vrouw voorbij, ze valt, omstanders bieden hulp aan, er wordt gebeld, er komt een ambulance, en de vrouw wordt meegenomen.

Je hebt het gezien van achter het raam, je hebt niets kunnen horen, er is voor jou geen woord aan te pas gekomen. En toch is er een narratief. Kunnen beelden op zichzelf dan toch een narratief zijn?

Ik denk het niet. Het voorbeeld bestond weliswaar alleen uit beelden, maar die moeten we eerst in ons opnemen, er een betekenis aan geven, en dat gebeurt met woorden, pas dan kan een narratief ontstaan.

Immers, je hebt dat wat je door de ruit zag niet voor een abstracte gebeurtenis aangezien, je zag het niet als een abstract schilderij, je zag het niet als vormen en kleuren, niet als bewegende objecten. Je zag een vrouw, je zag een fiets, je zag de vrouw en de fiets vallen. Daarvoor moet je weten wat een mens is, wat een fiets is, wat vallen betekent. Daar komt taal bij kijken.

En taal is niet alleen maar onpersoonlijke kennis, er is ook iemand nodig die de taal gebruikt, iemand die woorden kiest, die keuzes maakt, en bij die keuzes gebruik je je ervaring, je intuïtie, en zowel ervaring als intuïtie is persoonlijk.

Beelden zijn niet het narratief, ze zijn voedsel voor het narratief. Het narratief heeft een taal en een taalgebruiker nodig om dat voedsel te verteren.