Niet de schrijver maar het personage (4)

De schrijver schrijft. Het personage vertelt en houdt zichzelf gevangen in die vertelling. Vaak schrijft de schrijver over personages die zichzelf in hun verhaal gevangen houden.

In mijn boek Korte Verhalen Schrijven (2011) was ik dat al een beetje op het spoor. Al zou ik het pas na dat boek verder uitwerken. Toch schreef ik in dat boek al, in een hoofdstuk over kijken:

“In het verlengde van kijken ligt vertellen. […] In [een verhaal] krijgen we als lezer te zien wat de hoofdpersoon wil zien. Daarmee is diens blik dus bepalend voor het verhaal. ‘Kijken’ gaat hiermee over in ‘vertellen’. En omdat we zien hoe [het personage] kijkt en een verhaal vormt, is het thema niet alleen het kijken, maar ook het vertellen zelf. Veel verhalen gaat over het vormen van een verhaal.”

Ook andere vooruitwijzingen naar het denken over narratieven zijn al in dat boek terug te vinden. Zo is er een hoofdstuk dat gaat over ‘kader’. En eigenijk gaat dat — al gebruikte ik de term daar niet — over framen. En framen, dat is wat een narratief doet. Een narratief framet. Met framen plaatst een personage — bewust of onbewust — sommige dingen buiten het kader en ander dingen binnen het kader, en daarmee vormt hij of zij een eigen blik, een eigen narratief.

Niet de schrijver maar het personage (3)

Een paar jaar heb ik geblogd op KorteVerhalenSchrijven.nl . Dat was een opmaat naar het boek Korte Verhalen Schrijven (2011), en toen dat boek eenmaal verschenen was, schreef ik steeds minder voor dat blog, totdat het uiteindelijk een stille dood stierf.

Die stille dood, soms vraag ik me af hoe dat kon gebeuren, waarom ik dat liet gebeuren. Misschien wel hierom:

In dat blog en het boek gaat het vooral over schrijven. Of zoals ik het in het boek formuleerde: ‘[Het] gaat over de keuzes die je als verhalenschrijver hebt […]. Je leert er welke keuzes onder welke omstandigheden tot welke resultaten leiden.’

En hoewel ik nog steeds achter het boek sta, ontbrak het me na het voltooien ervan aan de zin om nog langer de schijnwerper op te zetten op de keuzes die een schrijver maakt. Mijn interesse was veranderd. Ik hield me liever bezig met hoe verhalen van mensen en personages tot stand komen, hoe die verhalen het leven vormen, hoe ze onszelf vormen. In Schrijven Magazine schreef ik daarover (december 2018):

“Ik vind het interessant om mezelf en anderen op narratieven te betrappen. Hoewel ‘betrappen’ een negatieve connotatie heeft die ik niet bedoel. Het is juist mooi om me gewaar te worden dat ik of iemand anders een narratief heeft en wat dat narratief is. Het geeft inzicht. Daarbij maakt het niet uit of die narratieven zich nu openbaren in het alledaagse leven, in mijn relaties, in het mediteren, in het lesgeven, of in het lezen en het schrijven. Het is een manier om in de wereld te staan, om naar de wereld te kijken.”

Ik gaf in dat artikel ook een voorbeeld van hoe ik soms mijn eigen narratief doorzie:

“Soms als ik iemand iets vertel, betrap ik me erop dat ik een verhaal aan het maken ben en dat ik het op een bepaalde manier presenteer om er iets mee te bereiken.

Een keer vertelde ik een vriendin over een voorval uit mijn jeugd, over iets dat was voorgevallen tussen mijn vader en mij, iets dat pijnlijk was. Terwijl ik het vertelde drong het tot me door dat ik het al zoveel vriendinnen had verteld. En ik realiseerde me ook: het gaat er niet om of het waargebeurd is, en zelfs niet of het relevant is, ik wil vooral indruk op mijn vriendin maken, ik wil iets intiems delen om het delen van iets intiems.

Die vriendin vond mijn verhaal inderdaad pijnlijk. Ik kreeg bijval van haar en het voelde als dichter bij elkaar komen. Maar toen het tot me doordrong wat ik aan het doen was, zei ik: het is een oud verhaal, ik heb het al zo vaak verteld, ik voel er niets meer bij, het is een riedel, bedoeld om indruk op je te maken. Wat ze eerlijk van me vond, en wat me nog meer voor haar leek in te nemen. En toen zag ik dat mijn openhartigheid over die riedel ook een poging was om om haar te imponeren. En ook dat vertelde ik haar.

Wanneer we iets vertellen, maken we vaak onszelf en elkaar iets wijs.”

Niet de schrijver maar het personage(2)

Het lijkt misschien maar een kleinigheid dat de essentie van een verhaal niet is dat de schrijver een verhaal maakt, maar dat het personage dat doet.

Of met andere woorden: het personage zit niet in het verhaal, maar het verhaal zit in het personage.

Of misschien is het allebei wel waar. Misschien is het wel zo dat het personage in het verhaal zit, en dat het verhaal in het personage zit.

Zoals een droom onderdeel uitmaakt van iemands leven, en iemands leven onderdeel uitmaakt van een droom.

Niet de schrijver maar het personage (1)

“Het kan zijn dat je als schrijver zelf moeite hebt om een verhaal te vertellen. Soms zit dan de oplossing erin dat je deze moeite doorgeeft aan je personages en dat je laat zien hoe moeilijk het voor hen is.” Dit schreef ik onlangs in deze blogpost.

Laatst besprak ik dit principe met studenten. En nog in diezelfde les liepen we tegen dat principe aan in hun eigen werk.

Een van de studenten schreef in haar verhaal over een vader-dochter-relatie. De dochter kwam in de puberteit, en de student vroeg aan ons hoe ze voortaan de vader zou aanduiden. Papa (zo noemde de dochter hem toen ze jonger was)? Mijn vader? Hem bij zijn voornaam noemen?

Een mede-student gaf als tip dat die vraag onderdeel van het verhaal kon worden, dat het een probleem van de personages kon worden, dat het meisje een keuze moest maken en daarover kon twijfelen, of dat de vader kon reageren op hoe ze hem noemde.

Nog een voorbeeld. Een van de schrijvers in de groep wilde niet te sentimenteel schrijven. Dat deed ze ook niet, misschien juist omdat ze er zich zo bewust van was dat ze het niet wilde. Maar dat was niet enige dat het mogelijke euvel verhielp, ze speelde ook een troef uit. In haar verhaal beschuldigde namelijk een van de personages het andere personage van ‘vals sentiment’. Voilà, de schrijver had het probleem aan haar personages gegeven.

J.M. Coetzee en Arabella Kurtz over narratieven in literatuur en therapie

Het werk van de fictie-schrijver kan lijken op dat van de psychotherapeut. Zowel de schrijver als de therapeut  hebben oog voor het narratief; de schrijver voor het narratief van het personage, en de therapeut voor dat van de cliënt. Beiden zien hoe dat narratief kan botsen met de werkelijkheid buiten het narratief, hoe het narratief inconsequent is, en hoe dat tot problemen kan leiden. Zowel de schrijver als de therapeut kunnen dat narratief uitdagen om de ander te bevrijden, om de ander te helpen tot een narratief te komen dat minder conflictueus is.

In het boek ‘Het goede verhaal’ gaan Nobelprijswinnaar J.M. Coetzee en psychoanalyticus Arabella Kurtz hierover met elkaar in gesprek. Ze stellen elkaar vragen over narratieven: de schrijver aan de therapeut, en de therapeut aan de schrijver.

Zo vraagt Coetzee zich af:

“Wat is het dat jou, als therapeut, beweegt om je cliënten te confronteren met de waarheid over henzelf, in tegenstelling tot met hen samenwerken of samenspannen om tot een verhaal te komen — laten we het fictie noemen, maar bekrachtigende fictie — dat de cliënt een goed gevoel zou geven over zichzelf, goed genoeg om de wereld in te stappen en beter in staat te zijn om lief te hebben en te werken?”

En Kurtz vraagt aan Coetzee:

“ Resoneert bij jou, als schrijver, het idee om vanuit maskerende narratieven te komen tot een waarachtiger narratief? Ik bedoel waarachtiger in de zin van een poëtische of emotionele waarheid, waarbij het gaat om waarachtig naar zichzelf te zijn, intern coherent, en in overeenstemming met de dingen buiten zichzelf, maar niet noodzakelijk op een manier die transparant of direct is? En wat schrijvers weten, en psychotherapeuten mogelijk van hen kunnen leren, is geloof ik dat de beste manier om te proberen tot iets te komen dat zowel waar als nieuw is, of waarvan het nieuw is om zich ervan bewust te zijn, vaak een creatieve manier is, of ten minste in tegenspraak met wat waar is op een niet onderzochte manier in onze gemeenschappelijke, gedeelde realiteit.”

Het boek ‘Het goede verhaal’ is de vertaling van ‘The good story’. Je kunt het inzien via Bol.

Het onvermogen om tot een verhaal te komen (1)

Verhalen gaan over verhalen. En omdat mensen en personages vaak niet tot een verhaal kunnen komen, gaan verhalen ook over het onvermogen om tot een verhaal te komen.

Schrijvers kunnen dit onvermogen van het personage tonen, ze kunnen erover verhalen. Het is daarmee niet het onvermogen van schrijvers zelf om tot een verhaal te komen, ze laten het alleen maar zien.

Het kan zijn dat je als schrijver zelf moeite hebt om een verhaal te vertellen. Soms zit dan de oplossing erin dat je deze moeite doorgeeft aan je personages en dat je laat zien hoe moeilijk het voor hen is.

Hierover gingen mijn vriendin en ik in gesprek. Luister met ons mee:

Vanuit het begin

Voor het oktober-novembernummer van Schrijven Magazine schreef ik een essay over ruimte — over de ruimte van de schrijver en de ruimte van het verhaal. Een deel van het artikel gaat over hoe het verhaal zich ontwikkelt vanuit zijn eigen begin.

Een citaat: “Het leven denkt niet: hoe nu verder, waar zal ik eens naartoe werken? Het gaat gewoon verder met wat er is, met dingen die je al gezien had en met dingen die je tot dan toe over het hoofd had gezien. [En zo gaat het ook met het schrijven van een verhaal.] Als je goed genoeg kijkt, als je goed genoeg leest wat je daadwerkelijk geschreven hebt, kan het zich openbaren.”

In dat kader citeer ik ook Pavese: “Wanneer de eerste regel van het verhaal is geschreven zijn de stijl, de toon en de wending van de feiten al gekozen. Is de eerste regel gegeven, dan is het verder een kwestie van geduld: al het overige moet, en kan, eruit voortkomen.” (Cesare Pavese, Leven als ambacht, 22 juli 1938)

Mijn vriendin las het artikel en we spraken er samen over bij mij thuis op de bank. Ze had wat nuanceringen bij het idee dat het einde van het verhaal kan voortkomen uit het begin ervan. Luister met ons mee:

Beginnen (2)

Bij aanvang van een verhaal begint er zowel iets voor het personage als voor de lezer. Je zou denken dat dat hetzelde is: wat er voor het personage begint is dat wat er voor de lezer begint, ze gaan samen een avontuur aan. Dat is deels het geval, en deels ook niet. Het personage en de lezer zijn ook met verschillende dingen bezig.

Het personage wordt aan het begin van het verhaal geconfronteerd met een conflict. Hij denkt bijvoorbeeld dat hij helemaal oké is maar veroorzaakt wel een dodelijk ongeluk met te veel alcohol in zijn bloed, en heeft vervolgens iets uit te zoeken met zichzelf. Misschien wil hij dat liever niet aangaan — met andere woorden: begint hij er niet aan — en houdt hij vast aan zijn vertrouwde narratief, aan zijn idee dat hij goed is, dat misschien sommige andere mensen slecht zijn en grote fouten maken, maar hij niet. Hij kan wel begrijpen dat de moeder van het slachtoffer verdrietig is, maar niet dat ze hem haat.

De lezer staat aan het begin van het verhaal voor een deel iets anders te doen dan het personage. De lezer wil vooral snel in het verhaal komen en begrijpen wat er aan de hand is. Waar is hij? Wat gebeurt er? Wie zijn al die mensen? Waarom moet hij dit lezen?

De schrijver staat voor een dubbele taak. Hij wil het personage bezighouden door hem een conflict te geven, een conflict dat zijn narratief overhoop haalt, dat het personage dwingt ergens aan te beginnen waaran hij niet wil beginnen. Anderzijds wil hij de lezer wegwijs maken.

Die twee taken hoeven niet op gespannen voet met elkaar te staan. We leren iemand juist kennen in zijn strijd met dat waarvan hij wil dat het er niet is. Dat het personage te maken krijgt met een conflict en met barsten in zijn narratief, kan voor de lezer juist een effectieve en natuurlijke manier zijn om het personage en het verhaal snel te leren kennen, om zich het verhaal eigen te maken, om het te beginnen.

Gericht op het einde (3)

Een groot deel van het leesplezier bestaat uit de spanning, of het nu gaat om een detective, een historische roman of een psychologisch verhaal. Er is een conflict, er staat iets te gebeuren, en de lezer wil weten hoe het verdergaat, hoe het afloopt. Er is een gerichtheid op het einde, en het verhaal is een weg die naar dat einde leidt.

Dit zorgt vanzelf voor een eenheid en een samenhang in het verhaal. Er zijn dingen die met het conflict hebben te maken, en die krijgen een plaats in het verhaal, en er zijn de dingen die niets met het conflict hebben te maken, en die krijgen er geen plaats in. Dan is er nog een grijs gebied van zaken die er zijdelings mee te maken hebben, en daarvan moet de schrijver kijken of hij ze een plaats geeft. Lekker overzichtelijk, toch?

Maar in dat overzichtelijke schuilt ook een gevaar. Het verhaal kan er eentonig van worden, het kan diepgang missen, voorspelbaar worden. Want zelfs als je van te voren niet kunt weten wie de moord gepleegd heeft, als het verhaal alleen maar gaat over wie het gedaan heeft, dan wordt het toch voorspelbaar, namelijk in die zin dat je weet dat er een einde komt dat zal duidelijk maken wie de de dader is, that’s it, meer inzicht komt er niet. Er is alleen maar spanning.

De kunst is om in de spanning, om in de tijdsbeleving, een opening te maken waarin de lezer om zich heen kan kijken naar een onvermoede ruimte. Dat de spannende weg hem niet zozeer naar een einde leidt, als wel langs uitzichten en vergezichten onderweg.

Zoals in een eerder voorbeeld: een personage wil erkenning van zijn moeder, het hele verhaal is daarop gericht. Maar dan komt zijn moeder te overlijden en staat in zekere zin zijn tijd stil, valt de spanning weg, is er een niet-weten en een om zich heen kijken naar een nieuw oriëntatiepunt, naar een nieuw vergezicht, een nieuw narratief.

Gericht op het einde (2)

Ook bij een roman of een kort verhaal werpt het einde zijn schaduw vooruit. Dat speelt op twee manieren. Het personage richt zich op een einde, en ik als lezer richt me op een einde. Dat lijkt twee keer hetzelfde, en dat is het deels ook, maar er is ook een verschil tussen die twee.

Voor het personage gaat het waarschijnlijk om een oplossing, het gaat hem op het einde van het conflict waar hij in zit. Hij voelt zich bijvoorbeeld miskend door zijn moeder, en hij wil van zijn moeder erkenning. Hij gaat ervan uit dat als hij die erkenning van haar krijgt, dat dan zijn probleem is opgelost.

Tegelijkertijd blijft zijn narratief overeind, zelfs als het probleem is opgelost. Als zijn moeder erkent dat ze fout zat, bevestigt dat zijn narratief (of met andere woorden: zijn perspectief, zijn visie, zijn lezing, zijn verhaal). Hij heeft het al die tijd goed gezien.

Ik als lezer kan — als de roman of het korte verhaal me daartoe uitnodigt en adequaat is geschreven — meeleven met het personage en me ook richten op de oplossing van zijn probleem, op het einde van zijn vervelende situatie.

Maar er is ook het einde van de roman waarmee ik heb te dealen, en die twee — de oplossing voor het personage en het einde van de roman die ik lees — hoeven niet samen te vallen. Het kan zijn dat een oplossing van het probleem niet in zicht is, maar dat ik wel zie dat ik nog maar twee alinea’s heb te gaan voordat het verhaal stopt. Dat de roman of het korte verhaal stopt, daaraan heeft het personage geen boodschap, maar ik als lezer wel. Op dit punt hebben we verschillende belangen. Op dit punt scheiden onze wegen.

Als er voor het personage niet de oplossing komt die hij wenst, dan moet er iets met zijn narratief gebeuren, wil de roman of het korte verhaal ten einde kunnen komen. Dan moet er iets in het narratief van het personage ten einde worden gebracht, ook zonder dat het probleem voor het personage is opgelost op de manier zoals hij dat vanuit zijn narratief voor ogen had.

Een voorbeeld. Het kan zijn dat zijn moeder komt te overlijden, en dat het personage dus nooit meer haar erkenning zal krijgen. Wie weet kan hij daarmee toch leven, ondanks dat hij eerder dacht dat dat onmogelijk was. Dan kan hij deels volharden in zijn narratief, namelijk dat hem onrecht is aangedaan, maar deels past hij zijn narratief toch aan — al dan niet bewust — en komt er iets in dat narratief ten einde: namelijk het idee dat hij alleen maar verder met zijn leven kan als hij van zijn moeder erkenning krijgt.