Het onvermogen om tot een verhaal te komen – 1

Verhalen gaan over verhalen. En omdat mensen en personages vaak niet tot een verhaal kunnen komen, gaan verhalen ook over het onvermogen om tot een verhaal te komen.

Schrijvers kunnen dit onvermogen van het personage tonen, ze kunnen erover verhalen. Het is daarmee niet het onvermogen van schrijvers zelf om tot een verhaal te komen, ze laten het alleen maar zien.

Het kan zijn dat je als schrijver zelf moeite hebt om een verhaal te vertellen. Soms zit dan de oplossing erin dat je deze moeite doorgeeft aan je personages en dat je laat zien hoe moeilijk het voor hen is.

Hierover gingen mijn vriendin en ik in gesprek. Luister met ons mee:

De volgende blogpost verschijnt donderdag 8 november.

Vanuit het begin

Voor het oktober-novembernummer van Schrijven Magazine schreef ik een essay over ruimte — over de ruimte van de schrijver en de ruimte van het verhaal. Een deel van het artikel gaat over hoe het verhaal zich ontwikkelt vanuit zijn eigen begin.

Een citaat: “Het leven denkt niet: hoe nu verder, waar zal ik eens naartoe werken? Het gaat gewoon verder met wat er is, met dingen die je al gezien had en met dingen die je tot dan toe over het hoofd had gezien. [En zo gaat het ook met het schrijven van een verhaal.] Als je goed genoeg kijkt, als je goed genoeg leest wat je daadwerkelijk geschreven hebt, kan het zich openbaren.”

In dat kader citeer ik ook Pavese: “Wanneer de eerste regel van het verhaal is geschreven zijn de stijl, de toon en de wending van de feiten al gekozen. Is de eerste regel gegeven, dan is het verder een kwestie van geduld: al het overige moet, en kan, eruit voortkomen.” (Cesare Pavese, Leven als ambacht, 22 juli 1938)

Mijn vriendin las het artikel en we spraken er samen over bij mij thuis op de bank. Ze had wat nuanceringen bij het idee dat het einde van het verhaal kan voortkomen uit het begin ervan. Luister met ons mee:

Beginnen (2)

Bij aanvang van een verhaal begint er zowel iets voor het personage als voor de lezer. Je zou denken dat dat hetzelde is: wat er voor het personage begint is dat wat er voor de lezer begint, ze gaan samen een avontuur aan. Dat is deels het geval, en deels ook niet. Het personage en de lezer zijn ook met verschillende dingen bezig.

Het personage wordt aan het begin van het verhaal geconfronteerd met een conflict. Hij denkt bijvoorbeeld dat hij helemaal oké is maar veroorzaakt wel een dodelijk ongeluk met te veel alcohol in zijn bloed, en heeft vervolgens iets uit te zoeken met zichzelf. Misschien wil hij dat liever niet aangaan — met andere woorden: begint hij er niet aan — en houdt hij vast aan zijn vertrouwde narratief, aan zijn idee dat hij goed is, dat misschien sommige andere mensen slecht zijn en grote fouten maken, maar hij niet. Hij kan wel begrijpen dat de moeder van het slachtoffer verdrietig is, maar niet dat ze hem haat.

De lezer staat aan het begin van het verhaal voor een deel iets anders te doen dan het personage. De lezer wil vooral snel in het verhaal komen en begrijpen wat er aan de hand is. Waar is hij? Wat gebeurt er? Wie zijn al die mensen? Waarom moet hij dit lezen?

De schrijver staat voor een dubbele taak. Hij wil het personage bezighouden door hem een conflict te geven, een conflict dat zijn narratief overhoop haalt, dat het personage dwingt ergens aan te beginnen waaran hij niet wil beginnen. Anderzijds wil hij de lezer wegwijs maken.

Die twee taken hoeven niet op gespannen voet met elkaar te staan. We leren iemand juist kennen in zijn strijd met dat waarvan hij wil dat het er niet is. Dat het personage te maken krijgt met een conflict en met barsten in zijn narratief, kan voor de lezer juist een effectieve en natuurlijke manier zijn om het personage en het verhaal snel te leren kennen, om zich het verhaal eigen te maken, om het te beginnen.

Gericht op het einde (3)

Een groot deel van het leesplezier bestaat uit de spanning, of het nu gaat om een detective, een historische roman of een psychologisch verhaal. Er is een conflict, er staat iets te gebeuren, en de lezer wil weten hoe het verdergaat, hoe het afloopt. Er is een gerichtheid op het einde, en het verhaal is een weg die naar dat einde leidt.

Dit zorgt vanzelf voor een eenheid en een samenhang in het verhaal. Er zijn dingen die met het conflict hebben te maken, en die krijgen een plaats in het verhaal, en er zijn de dingen die niets met het conflict hebben te maken, en die krijgen er geen plaats in. Dan is er nog een grijs gebied van zaken die er zijdelings mee te maken hebben, en daarvan moet de schrijver kijken of hij ze een plaats geeft. Lekker overzichtelijk, toch?

Maar in dat overzichtelijke schuilt ook een gevaar. Het verhaal kan er eentonig van worden, het kan diepgang missen, voorspelbaar worden. Want zelfs als je van te voren niet kunt weten wie de moord gepleegd heeft, als het verhaal alleen maar gaat over wie het gedaan heeft, dan wordt het toch voorspelbaar, namelijk in die zin dat je weet dat er een einde komt dat zal duidelijk maken wie de de dader is, that’s it, meer inzicht komt er niet. Er is alleen maar spanning.

De kunst is om in de spanning, om in de tijdsbeleving, een opening te maken waarin de lezer om zich heen kan kijken naar een onvermoede ruimte. Dat de spannende weg hem niet zozeer naar een einde leidt, als wel langs uitzichten en vergezichten onderweg.

Zoals in een eerder voorbeeld: een personage wil erkenning van zijn moeder, het hele verhaal is daarop gericht. Maar dan komt zijn moeder te overlijden en staat in zekere zin zijn tijd stil, valt de spanning weg, is er een niet-weten en een om zich heen kijken naar een nieuw oriëntatiepunt, naar een nieuw vergezicht, een nieuw narratief.

Gericht op het einde (2)

Ook bij een roman of een kort verhaal werpt het einde zijn schaduw vooruit. Dat speelt op twee manieren. Het personage richt zich op een einde, en ik als lezer richt me op een einde. Dat lijkt twee keer hetzelfde, en dat is het deels ook, maar er is ook een verschil tussen die twee.

Voor het personage gaat het waarschijnlijk om een oplossing, het gaat hem op het einde van het conflict waar hij in zit. Hij voelt zich bijvoorbeeld miskend door zijn moeder, en hij wil van zijn moeder erkenning. Hij gaat ervan uit dat als hij die erkenning van haar krijgt, dat dan zijn probleem is opgelost.

Tegelijkertijd blijft zijn narratief overeind, zelfs als het probleem is opgelost. Als zijn moeder erkent dat ze fout zat, bevestigt dat zijn narratief (of met andere woorden: zijn perspectief, zijn visie, zijn lezing, zijn verhaal). Hij heeft het al die tijd goed gezien.

Ik als lezer kan — als de roman of het korte verhaal me daartoe uitnodigt en adequaat is geschreven — meeleven met het personage en me ook richten op de oplossing van zijn probleem, op het einde van zijn vervelende situatie.

Maar er is ook het einde van de roman waarmee ik heb te dealen, en die twee — de oplossing voor het personage en het einde van de roman die ik lees — hoeven niet samen te vallen. Het kan zijn dat een oplossing van het probleem niet in zicht is, maar dat ik wel zie dat ik nog maar twee alinea’s heb te gaan voordat het verhaal stopt. Dat de roman of het korte verhaal stopt, daaraan heeft het personage geen boodschap, maar ik als lezer wel. Op dit punt hebben we verschillende belangen. Op dit punt scheiden onze wegen.

Als er voor het personage niet de oplossing komt die hij wenst, dan moet er iets met zijn narratief gebeuren, wil de roman of het korte verhaal ten einde kunnen komen. Dan moet er iets in het narratief van het personage ten einde worden gebracht, ook zonder dat het probleem voor het personage is opgelost op de manier zoals hij dat vanuit zijn narratief voor ogen had.

Een voorbeeld. Het kan zijn dat zijn moeder komt te overlijden, en dat het personage dus nooit meer haar erkenning zal krijgen. Wie weet kan hij daarmee toch leven, ondanks dat hij eerder dacht dat dat onmogelijk was. Dan kan hij deels volharden in zijn narratief, namelijk dat hem onrecht is aangedaan, maar deels past hij zijn narratief toch aan — al dan niet bewust — en komt er iets in dat narratief ten einde: namelijk het idee dat hij alleen maar verder met zijn leven kan als hij van zijn moeder erkenning krijgt.

Ruimte en tijd (3)

Ik schreef aan een verhaal over een alleenstaande moeder die door een instantie onder druk wordt gezet om haar zoontje weer in contact te brengen met zijn vader, iemand met psychiatrische problemen, iemand die ze niet vertrouwt. Met haar rug tegen de muur doet ze uiteindelijk wat er van haar wordt geëist: op een zaterdagochtend neemt ze haar zoontje mee in de auto, op weg naar zijn vader. Daar liet ik het verhaal aanvankelijk beginnen, bij die rit in de auto. Vervolgens gebeurde er iets waardoor de auto tot stilstand komt en waardoor haar beleving en haar verhaal kantelen.

Het verhaal had potentie, maar het miste iets, al wist ik niet wat, en een tijdlang liet ik het ongemoeid. Ik denk dat ik me open wilde stellen voor een ingeving, al was ik me daar niet bewust van.

Toen herlas ik het verhaal Immigration van Richard Bausch uit zijn bundel Something is out there. In dat verhaal heeft de hoofdpersoon een afspraak om een verblijfsvergunning te regelen, er staat veel op het spel: niet alleen zijn verblijf, maar ook zijn toekomstige werk en zijn relatie. Op de ochtend van de afspraak verslaapt zich. Als hij wakker wordt en zich realiseert dat ze de wekker hebben gemist, verandert zijn tijdbesef, en daarmee zijn perceptie, alles komt onder druk te staan.

Ik vond dat mooi, hoe dat verslapen en het tijdsbesef iets met het personage en het verhaal deden. Ik liet ook mijn moeder zich verslapen. Ik startte het verhaal nu ruim voordat ze in de auto stapte, ik startte met de voorgaande nacht.

Wat het verslapen met mijn verhaal en met de moeder deed: het creëerde een tijdsbewustzijn, een narratieve tijd, een tijdbom. De moeder moest die zaterdagochtend niet enkel iets doen wat ze niet wilde, ze deed het ook nog eens onder tijdsdruk. Het bepaalde haar beleving van de ruimte: het huis waarin ze zich voorbereidde op het vertrek, werd een huis waarin ze gestresst van alles waarnam waarvan ze niet wilde dat het er was: het treuzelen van haar zoontje, haar ex die belde om te vragen waar ze bleef, haar eigen opgejaagde gedrag.

De onverwachte gebeurtenis die onderweg de auto tot staan bracht, en die al in de eerdere versie zat, werd nu een overgang van haast naar stilstand, het ging nu ook over haar tijdsbeleving, of sterker nog, het verhaal werd vanuit haar tijdsbeleving gevormd. Door het gedwongen stilstaan zag de moeder iets wat ze in haar haast en in haar focus op de tijd niet zou hebben gezien. Iets nieuws van de omgeving, iets nieuws van haar zoontje, iets nieuws van zichzelf.

Verhalen gaan over een verandering, zijn een verandering, groot of klein. Dat kan een verandering zijn in identiteit, of in perceptie van de omgeving, of in tijdsbeleving, of in al die zaken tegelijkertijd.

Overigens, het verhaal heet Tot hier ben ik gekomen en is te lezen in Hollands Maandblad (2016, nummer 11).