Collectief narratief (5)

Iemand die veel nadacht en schreef over narratieven, was de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Alleen had hij het niet over een collectief narratief, maar over een dominant narratief. Hij vergeleek dat dominante narratief met een gevangenis.

Moderne gevangenissen worden zo gebouwd dat gevangenen constant kunnen worden geobserveerd en zich ook geobserveerd weten. Daardoor zullen de meesten zich — vaak onbewust —  aanpassen aan dat wat er van ze verlangd wordt, ze zullen zich ‘normaliseren’, ofwel aan de norm voldoen. Eisen die van buitenaf opgelegd worden, zullen sommigen zichzelf gaan opleggen, ze worden hun eigen bewaker, wat je ‘internaliseren’ zou kunnen noemen.

Het observeren, normaliseren en internaliseren gebeurt niet alleen in gevangenissen. Het gebeurt ook in scholen, ggz-instellingen en gezinnen. En daar niet alleen, het vindt plaats in de gehele maatschappij. Van kantoren tot winkelcentra tot Facebook.

En we doen allemaal onbewust mee aan het het opleggen en het ons laten opleggen van het dominante narratief. Daarbij is niemand alleen maar bewaker of alleen maar gevangene. Het zijn rollen die we beurtelings en soms zelfs gelijktijdig vervullen.

Collectief narratief (4)

Soms vraag ik me af hoe snel ik mijn mail moet beantwoorden. Iets zegt me dat ik dat binnen 24 uur moet doen, uiterlijk binnen 48 uur.

Dat ‘iets’ in het ‘iets zegt me dat’ is het collectieve narratief. Een regel die nergens in een wet is vastgelegd en waar je ook geen wetgever op kunt aanspreken.

Vuistregels, common sense, gewoontes, zo doen wij dat nu eenmaal, een onderbuikgevoel.

Als ik Google op hoe snel email beantwoord moet worden, krijg ik inderdaad  heel wat hits die bevestigen dat je dat het beste binnen 24 tot 48 uur kunt doen.

We praten het elkaar na, we praten het elkaar aan.

Natuurlijk kun je er je eigen gewoonte op na houden. Natuurlijk kun je proberen je e-mail altijd binnen een uur te beantwoorden. Of er pas na een week op reageren. Of helemaal nooit.

Maar je verhoudt je hoe dan ook tot het collectieve narratief. Als je ervan afwijkt, loop je de kans dat je erop wordt aangesproken, terecht wordt gewezen.

En dit gaat nog maar om iets dat niet zo heel belangrijk is. Maar wat als het niet gaat om het beantwoorden van email, maar om relaties, seksualiteit, euthanasie?

Ik denk dat ook daar collectieve narratieven een rol spelen, dat we elkaar ook op deze terreinen napraten, iets aanpraten, al denken we dat we in alle vrijheid doen vanuit een eigen, uniek, individueel narratief.

Als ik dit betrek op literatuur, iets waar deze website ook over gaat:

Literatuur kan niet alleen laten zien hoe we omgaan met grote thema’s, maar ook hoe collectieve narratieven daarin een rol spelen en hoe daaruit conflicten ontstaan die narratief van aard zijn.

Collectief narratief (3)

Mijn vriendin schreef:

“Ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

En nu vraag ik mij af: 

Is het zo dat wij mensen zoals vogels zijn? Dat wij onderdeel van een zwerm zijn? Dat niemand afzonderlijk de zwerm is, maar dat wij allemaal een stukje van die zwerm zijn, en dat er tegelijkertijd iets van de zwerm in ons zit? Of met andere woorden: zitten wij in de zwerm en zit de zwerm in ons?

En hoe zit het dan met het culturele narratief? Is dat buiten ons? Kunnen wij ons tot het culturele narratief verhouden als tot iets wat buiten ons is? Zit in ons individuele narratief ook niet altijd een deel van het culturele narratief?

En als ons individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarbuiten, is het dan zo dat we met ‘daarbuiten’ bedoelen: het narratief van de anderen en ook het culturele narratief? Is hoe het individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarmee min of meer gelijk aan hoe het individuele narratief zich verhoudt tot het narratief van anderen en tot het culturele narratief?

Collectief narratief (2)

Mijn vriendin schreef me over collectieve narratieven:

“Ik denk inderdaad dat aan de gemeenschappelijkheid van taal niet te ontkomen valt. Ik denk wel dat er een verschil zit tussen een collectief narratief en een cultureel narratief.

Een collectief narratief kan ook het narratief zijn van een sub-cultuur of een nog kleinere groep mensen. Bijvoorbeeld, het collectieve narratief op de kunstacademie is dat je niet té ambitieus mag zijn en niet mag roepen dat je prijzen wilt winnen, maar dat je wel mag zeggen dat je van kunst zou willen rondkomen. Een ander collectief narratief op de kunstacademie is dat kunstenaars plat vermaak als Big Brother of GTST niet leuk vinden.

Een collectief narratief kan ook een familie-narratief zijn. Toen mijn ouders een huis hadden gekocht en dat aan mijn opa gingen vertellen, zei mijn opa verbaasd: “Een huis kopen is niet voor ons soort mensen weggelegd.” En het heeft lang geduurd voordat hij naar het huis van mijn ouders heeft willen kijken.

Een collectief narratief kan ook het ‘Heemskerk is beter dan Beverwijk’ gevoel zijn dat mensen in mijn omgeving hebben.

Ik denk dat een cultureel narratief alomvattender en onzichtbaarder is dan een collectief narratief. Een cultureel narratief spreidt zich uit over meerdere subculturen en er zijn soms maar weinig aanwijzingen voor behalve in ons taalgebruik.

‘Kanker is een gevecht’ is bijvoorbeeld zo’n cultureel narratief. Er zijn mensen die zich tegen dat narratief willen verzetten omdat ze iemand verloren hebben aan kanker, en het narratief suggereert dat hun geliefden dus niet ‘hard genoeg gevochten hebben’ of ‘de strijd verloren hebben’. Die mensen kunnen zich nog maar lastig uitdrukken, omdat de taal en de zinssnedes rondom kanker allemaal doorwrocht zijn met dat narratief.

Ook het gebruik van ‘homo’ en variaties daarop als scheldwoord zijn een cultureel narratief. ‘Je gooit als een meisje’ is ook een cultureel narratief.

Terwijl ‘Vrouwen zijn gelijk aan mannen en dienen gelijk behandeld te worden’ een collectief narratief is, volgens mij.

Nou ja, dit vind ik een interessant onderwerp. Hier raakt het mijn eigen werk ook, ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

Collectief narratief (1)

Eerder schreef ik: ‘Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan. Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.’

Een manier waarop collectieve narratieven proberen te overleven is door bezit te nemen van de taal.

Een voorbeeld daarvan is het onderscheid dat binnen ons collectieve narratief wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is een onderscheid dat van generatie op generatie via de taal is doorgegeven.

Als ik iemand zou vragen of hij de sleutels van mijn partner heeft gevonden, dan moet ik, als ik een bezittelijk voornaamwoord wil gebruiken, zeggen dat we haar sleutels zoeken, waarmee ik aangeef dat de sleutels aan een vrouw en niet aan een man toebehoren. Blijkbaar is dat verschil van collectief belang.

Het gaat me nu niet specifiek om de gender-discussie. Het gaat me erom dat ik als taalgebruiker een onderscheid moet maken dat al generaties in de taal gecodeerd is, en dat het moeilijk of bijna onmogelijk is om me uit te drukken zonder dat onderscheid en zonder de woorden die dat onderscheid aangeven.

Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.

Behoud van het narratief (4)

Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan.

Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.

Een voorbeeld van zo’n collectief narratief is religie. Dat narratief is — in het geval van het Christendom — door vele generaties opgebouwd en uitgebreid, eeuwenlang is erin geïnvesteerd. Er werden kerken voor gebouwd, er werden oorlogen voor gevoerd, er werden maatschappijen volgens dit collectieve narratief ingericht.

Toen Darwin duidelijk maakte dat we niet van Adam en Eva afstammen maar, om het populair te zeggen, van de apen, en toen Nietzsche verklaarde dat God dood is, toen konden we van zo’n langdurig, uitgebreid en diep geworteld narratief als het Christendom niet verwachten dat het zou zeggen: ‘Aha, oké, bedankt voor de informatie, dan weet ik dat, ik zal mezelf opheffen.’

Maar het narratief moest zich op den duur toch iets aantrekken van het te groot geworden verschil met hetgeen zich buiten het narratief bevond. Dus deed het wat narratieven in zo’n situatie doen: een poging om met zo groot mogelijk behoud van zichzelf, zo min mogelijk aanpassingen te maken. En zo ontstond onder andere het theïstisch evolutionisme, volgens welke God de schepper is van de evolutie.