Beginnen (2)

Bij aanvang van een verhaal begint er zowel iets voor het personage als voor de lezer. Je zou denken dat dat hetzelde is: wat er voor het personage begint is dat wat er voor de lezer begint, ze gaan samen een avontuur aan. Dat is deels het geval, en deels ook niet. Het personage en de lezer zijn ook met verschillende dingen bezig.

Het personage wordt aan het begin van het verhaal geconfronteerd met een conflict. Hij denkt bijvoorbeeld dat hij helemaal oké is maar veroorzaakt wel een dodelijk ongeluk met te veel alcohol in zijn bloed, en heeft vervolgens iets uit te zoeken met zichzelf. Misschien wil hij dat liever niet aangaan — met andere woorden: begint hij er niet aan — en houdt hij vast aan zijn vertrouwde narratief, aan zijn idee dat hij goed is, dat misschien sommige andere mensen slecht zijn en grote fouten maken, maar hij niet. Hij kan wel begrijpen dat de moeder van het slachtoffer verdrietig is, maar niet dat ze hem haat.

De lezer staat aan het begin van het verhaal voor een deel iets anders te doen dan het personage. De lezer wil vooral snel in het verhaal komen en begrijpen wat er aan de hand is. Waar is hij? Wat gebeurt er? Wie zijn al die mensen? Waarom moet hij dit lezen?

De schrijver staat voor een dubbele taak. Hij wil het personage bezighouden door hem een conflict te geven, een conflict dat zijn narratief overhoop haalt, dat het personage dwingt ergens aan te beginnen waaran hij niet wil beginnen. Anderzijds wil hij de lezer wegwijs maken.

Die twee taken hoeven niet op gespannen voet met elkaar te staan. We leren iemand juist kennen in zijn strijd met dat waarvan hij wil dat het er niet is. Dat het personage te maken krijgt met een conflict en met barsten in zijn narratief, kan voor de lezer juist een effectieve en natuurlijke manier zijn om het personage en het verhaal snel te leren kennen, om zich het verhaal eigen te maken, om het te beginnen.

Beginnen (1)

Een nieuw schooljaar, ik loop het klasklokaal binnen, er zit een nieuwe groep, een groep die ik het komende semester les zal geven.

Nieuwe gezichten, ik probeer ze in me op te nemen, probeer ze te onthouden. Jij lijkt op die en die, je hebt net zo’n donkere blik en van die grote oren, dat kan ik onthouden. En jij lijkt op die en die, je bent net zo beweeglijk en je blijft maar praten, ook dat kan ik onthouden.

Een nieuwe situatie zetten we vaak af tegen een bekende situatie. We proberen de situatie zo min mogelijk nieuw en onbekend te laten zijn.

Het kan zijn dat ik de groep een voorbeeld geef dat ik gewoonlijk geef, maar dat het nu niet blijkt te werken. Of dat degene die nogal beweeglijk is en veel praat, als eerste terug is van de pauze, terwijl ik beweeglijk zijn en veel praten had geassocieerd met te laat komen. Of dat de vrijheid die ik geef en die meestal gewaardeerd wordt, nu wordt gezien als gebrek aan structuur en tot weerstand leidt.

Pas als er dingen anders gaan dan we gewend zijn, dringt tot ons door dat een situatie nieuw is.

Fouten maken, met lege handen staan, met een mond vol tanden, dat hoort allemaal bij nieuw, bij beginnen. Het vraagt om het loslaten van onze gewoontes en om het aanpassen van ons narratief. Pas als we de situatie kunnen zien voor wat die werkelijk is, zijn we voorbij het begin.