Beeld en narratief (3)

Beelden kunnen ook de verbeelding van het narratief worden.

Stel je voor: een vrouw en man overleggen of ze een kat zullen nemen. De man zegt nee, de vrouw zegt ja, de man laat zich overhalen en er komt een kat.

Als de man de kat ziet, doet die hem denken aan dat hij zich heeft laten overhalen, hij vindt zichzelf te meegaand, de kat wordt voor hem drager van het beeld van meegaandheid. Als de man de kat ziet, voelt hij weerstand tegen het beest, soms zelfs weerstand tegen zichzelf.

Als de vrouw de kat ziet, denkt ze aan een periode uit haar jeugd, aan dat ze thuiskwam na een moeizame dag op school, en dat ze thuis eerst een tijd de kat aaide, dat ze zich dan beter begon te voelen. Voor haar is de kat de verbeelding van troost.

Man en vrouw kijken naar dezelfde kat, naar hetzelfde beeld, een beeld dat in twee verschillende narratieven twee verschillende betekenissen verbeeldt.

Beeld en narratief (2)

Eerst waren er alleen maar beelden, beelden die ik niet begreep, beelden zonder woorden.

Later waren er prentenboeken, ik zat bij mijn moeder op schoot, en mijn moeder wees plaatjes aan.

Schaap. Geit. Koe.

Beelden kregen een voice over, een klank, een woord.

En dat niet alleen, ze kregen ook een onderling verband. De koe stond naast het schaap. De geit stond achter de koe. Een kip kon fladderen en een koe niet.

Dat soort aanwijzingen zal mijn moeder niet alleen in prentenboeken hebben gegeven. Ze gaf die vast ook in de wereld buiten prentenboeken, zoals bij de kinderboerderij waar ze me in de kinderwagen naartoe reed.

Langzaam veranderde de wereld van woordloze beelden in een wereld van beelden met een voice over, in een wereld van narratieven.

Als ik nu ergens naar kijk, zijn er ook woorden. Het is moeilijk om te kijken zonder woorden, zonder te benoemen.

Beeld en narratief (1)

Een narratief bestaat uit taal. Zonder taal geen narratief.

Maar hoe zit het dan met beelden? Kunnen die op zichzelf een narratief vormen, zonder tussenkomst van taal?

Stel je voor: je zit in een lunchroom, je hebt uitzicht op de straat. Er fietst een vrouw voorbij, ze valt, omstanders bieden hulp aan, er wordt gebeld, er komt een ambulance, en de vrouw wordt meegenomen.

Je hebt het gezien van achter het raam, je hebt niets kunnen horen, er is voor jou geen woord aan te pas gekomen. En toch is er een narratief. Kunnen beelden op zichzelf dan toch een narratief zijn?

Ik denk het niet. Het voorbeeld bestond weliswaar alleen uit beelden, maar die moeten we eerst in ons opnemen, er een betekenis aan geven, en dat gebeurt met woorden, pas dan kan een narratief ontstaan.

Immers, je hebt dat wat je door de ruit zag niet voor een abstracte gebeurtenis aangezien, je zag het niet als een abstract schilderij, je zag het niet als vormen en kleuren, niet als bewegende objecten. Je zag een vrouw, je zag een fiets, je zag de vrouw en de fiets vallen. Daarvoor moet je weten wat een mens is, wat een fiets is, wat vallen betekent. Daar komt taal bij kijken.

En taal is niet alleen maar onpersoonlijke kennis, er is ook iemand nodig die de taal gebruikt, iemand die woorden kiest, die keuzes maakt, en bij die keuzes gebruik je je ervaring, je intuïtie, en zowel ervaring als intuïtie is persoonlijk.

Beelden zijn niet het narratief, ze zijn voedsel voor het narratief. Het narratief heeft een taal en een taalgebruiker nodig om dat voedsel te verteren.