Het einde van het begin (3)

Oké, het personage dacht aanvankelijk dat hij de werkelijkheid zag voor wat die is, ontdekt vervolgens dat dat toch niet het geval is, en dan kijkt hij naar de dreigende barst in zijn narratief en dan neemt het verhaal een begin.

En dat kan zich herhalen, hij kan steeds opnieuw inzien dat hij het nog niet goed zag, dat er barsten in zijn narratief zitten, dat er barsten bijkomen. En dan uiteindelijk, als hij de situatie echt ziet voor wat die is, zijn we voorbij het begin.

En daarna?

Daarna kan het zijn dat hij een oplossing wil voor de situatie die er is. Hij is depressief, hij erkent dat, hij plaatst het niet buiten zichzelf, hij maakt het niet groter, niet kleiner, het is wat het is. En hij gaat op zoek naar genezing. Menselijk om te doen, wijs ook, al geeft dat wel een nieuw conflict: er is namelijk een verschil ontstaan tussen de situatie zoals die is (ziekte), en de situatie zoals die moet zijn (gezondheid). Dat wat er is, wordt afgekeurd.

Een oplossing zoeken kan betekenen: terug naar het oude narratief willen, naar het narratief van voordat er barsten kwamen. Denken dat er een oplossing is, kan een narratief conflict doen herleven en in stand houden.

Pas als er geen oplossing meer wordt gezocht – bijvoorbeeld omdat er een oplossing is gevonden of omdat een oplossing zinloos of onmogelijk blijkt – kan het narratief oplossen in dat wat er daadwerkelijk is.

Het einde van een roman of verhaal gaat over het einde van het narratief.

Het einde van het begin (2)

Oké, een personage ziet in dat er een verschil is tussen enerzijds wat hij dacht dat er was en anderzijds dat wat er daadwerkelijk aan de hand is. Hij ziet in dat er een conflict tussen die twee is, en daarmee heeft het verhaal een aanvang genomen.

Wat gebeurt er daarna?

Waarschijnlijk ontstaat er daarna een situatie die hij opnieuw niet helemaal kan aanzien voor wat die in werkelijkheid is. Hij krijgt bijvoorbeeld van de huisarts te horen dat hij een depressie heeft, en vervolgens denkt hij dat het wel meevalt en dat het toch een dipje is (ontkenning), of hij denkt dat het nooit meer goed zal komen (overdrijving), of dat het vooral door het werk komt en dat niet hijzelf maar zijn baas een probleem heeft (externalisatie), of dat het allemaal geen probleem hoeft te zijn als hij maar een stappenplan volgt dat hij op internet heeft gevonden (rationalisatie).

Daarna zal hij wellicht ontdekken dat de overdrijving of de externalisatie of rationalisatie niet werkt, en dat zijn narratief nog steeds niet overeenkomt met wat er daadwerkelijk aan de hand is. Dat geeft opnieuw een conflict, en opnieuw een begin.

Meestal komt er na het eerste begin, een tweede begin, een derde, en zo nog een paar.

Het einde van het begin (1)

Wanneer houdt het begin op het begin te zijn?

Eerder schreef ik: “Pas als we situatie kunnen zien voor wat die werkelijk is, zijn we voorbij het begin.”

Tot die tijd zijn we nog niet echt begonnen. Misschien sluimert er iets in ons, zoals een onbehaaglijk gevoel, maar voralsnog is er ons vertrouwde narratief, en geen reden om daarvan af te wijken: we zijn gezond, iedereen is tevreden, niets aan de hand.

Vervolgens is er iets dat voorbij een onbehaaglijk gevoel gaat en dat ons ermee confronteert dat ons vertrouwde narratief niet klopt: er is bijvoorbeeld een partner die ons ergens op wijst, op iets wat niet genegeerd kan worden. Of er is een situatie die we op geen enkele manier meer kunnen rijmen met hoe we die aanvankelijk beoordeelden. Het kan bijvoorbeeld zijn dat het negatieve gevoel dat we aanvankelijk wegwuifden niet een dipje blijkt maar dat het maandenlang doorgaat, we komen ons bed amper nog uit, er is meer aan de hand. Als we dat inzien, dan is er een begin gemaakt.

Dat begin heet een conflict. Als ons narratief niet blijkt te kloppen met wat er buiten ons narratief is, is er een conflict. Als ons duidelijk is geworden dat ons vertrouwde narratief niet klopt, zijn we begonnen.

Beginnen (5)

Ik zit bij mijn vriendin thuis op de bank, we bekijken haar foto’s. Vier boeken met variaties op hetzelfde meisje, op de eerste foto is ze een baby, op de laatste een tiener op schoolreisje in Rome, de foto’s daarna zitten niet in deze boeken, die heeft ze alleen digitaal, we bekijken vanmiddag alleen de papieren foto’s.

Van foto tot foto zie ik haar groeien, veranderen. Vaak gebeurt dat in een rechte lijn, dan is er op een foto iets te zien dat deel van haar  zal blijven, haar rode haar bijvoorbeeld, en haar pony. Soms is er iets dat een omweg is, dat slechts een enkele foto of een paar foto’s standhoudt, en dan weer verdwijnt.

Wat ik op sommige foto’s zie: een gezichtsuitdrukking die afstandelijk lijkt, een gezichtsuitdrukking die ik ook zie als we samen zijn, een blik die ik dan uitleg als dat ze me niet helemaal vertrouwt, dat ik iets verkeerd zeg, dat ze iets van me afkeurt.

Als we de fotoboeken uit hebben, vraag ik: ‘Wat betekent die blik eigenlijk?’

Ze hoeft niet lang na te denken. ‘Dan neem ik de situatie in me op,’ zegt ze. ‘Dan probeer ik de situatie te begrijpen.’

Dat ze me wantrouwt, zoals ik het uitlegde, of dat ze me probeert te begrijpen, zoals het voor haar is, dat is nogal een verschil.

Ik moet denken aan wat ik een paar dagen geleden op dit blog schreef:

“Fouten maken, met lege handen staan, met een mond vol tanden, dat hoort allemaal bij nieuw, bij beginnen. Het vraagt om het loslaten van onze gewoontes en om het aanpassen van ons narratief. Pas als we de situatie kunnen zien voor wat die werkelijk is, zijn we voorbij het begin.”

Beginnen (4)

Nog een klassiek verhaalbegin. Dit keer Lolita van Nabokov.

Net als de mens in het scheppingsverhaal, ontstaat ook Lolita vanuit taal, vanuit spraak:

“Lolita, mijn levenslicht, mijn lendevuur. Mijn zonde, mijn ziel. Lo-lie-ta: de tongpunt daalt drie treden het gehemelte af en tikt bij drie tegen de tanden. Lo. Lie. Ta.” (Vertaling: Rien Verhoef, De Bezige Bij)

En net als het scheppingsverhaal, onstaat ook Lolita binnen het narratief van de hoofdpersoon. Hij geeft haar een geschiedenis, zijn eigen geschiedenis, plaatst haar in een rij van kindmeisjes, projecteert dat kindmeisje op haar:

“Had ze een voorgangster? Ja zeker, nou en of. In feite was er misschien wel helemaal geen Lolita geweest als ik niet al eens een zomer een eerste kindmeisje had bemind.”

Beginnen (3)

Er is nauwelijks een sterker begin te vinden dan dat van het Bijbelse scheppingsverhaal. In slechts een paar alinea’s zet het zo krachtig een verhaal neer, dat er een boek — en een conflict — van tweeduizend pagina’s uit kan ontstaan.

Dat kan doordat het van meet af aan voorbeeldig gebruik maakt van narratieve elementen, zoals tijd, ruimte en perspectief.

Meteen in de openigszin verschijnt het hoofdpersonage ten tonele: “In het begin schiep God de hemel en de aarde.” God als protagonist, om hem draait dit verhaal.

In de volgende alinea’s worden tijd en ruimte gecreëerd, en wel vanuit het perspectief van het hoofdpersonage, vanuit God, het is zijn geest van waaruit tijd en ruimte ontstaan. En dat is wat narratieven doen: hun eigen tijd en ruimte creëren.

Eerst creëert God de tijd: “God zei: ‘Er moet licht komen,’ en er was licht.” Daarna schept hij de ruimte: “God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa’s van elkaar scheidt.’ En zo gebeurde het.”

Een ander narratief element is taal. In Genesis ontstaat de hele schepping vanuit taal, vanuit spraak, vanuit wat God zegt wat er moet zijn. Narratieven zijn taal en ze onstaan ook in taal.

Ook de tegenspelers van God, de antagonisten, de mensen, worden vanuit zijn taal en zijn beleving geschapen. “God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken.'”

Iemand scheppen naar je evenbeeld, vanuit je eigen denken en taal, dat is wat mensen en personages doen: de ander niet aanzien voor wie hij is, maar zien als iemand op wie je van alles van jezelf kunt projecteren. Het scheppingsverhaal doet dat in extremo.

Beginnen (2)

Bij aanvang van een verhaal begint er zowel iets voor het personage als voor de lezer. Je zou denken dat dat hetzelde is: wat er voor het personage begint is dat wat er voor de lezer begint, ze gaan samen een avontuur aan. Dat is deels het geval, en deels ook niet. Het personage en de lezer zijn ook met verschillende dingen bezig.

Het personage wordt aan het begin van het verhaal geconfronteerd met een conflict. Hij denkt bijvoorbeeld dat hij helemaal oké is maar veroorzaakt wel een dodelijk ongeluk met te veel alcohol in zijn bloed, en heeft vervolgens iets uit te zoeken met zichzelf. Misschien wil hij dat liever niet aangaan — met andere woorden: begint hij er niet aan — en houdt hij vast aan zijn vertrouwde narratief, aan zijn idee dat hij goed is, dat misschien sommige andere mensen slecht zijn en grote fouten maken, maar hij niet. Hij kan wel begrijpen dat de moeder van het slachtoffer verdrietig is, maar niet dat ze hem haat.

De lezer staat aan het begin van het verhaal voor een deel iets anders te doen dan het personage. De lezer wil vooral snel in het verhaal komen en begrijpen wat er aan de hand is. Waar is hij? Wat gebeurt er? Wie zijn al die mensen? Waarom moet hij dit lezen?

De schrijver staat voor een dubbele taak. Hij wil het personage bezighouden door hem een conflict te geven, een conflict dat zijn narratief overhoop haalt, dat het personage dwingt ergens aan te beginnen waaran hij niet wil beginnen. Anderzijds wil hij de lezer wegwijs maken.

Die twee taken hoeven niet op gespannen voet met elkaar te staan. We leren iemand juist kennen in zijn strijd met dat waarvan hij wil dat het er niet is. Dat het personage te maken krijgt met een conflict en met barsten in zijn narratief, kan voor de lezer juist een effectieve en natuurlijke manier zijn om het personage en het verhaal snel te leren kennen, om zich het verhaal eigen te maken, om het te beginnen.

Beginnen (1)

Een nieuw schooljaar, ik loop het klasklokaal binnen, er zit een nieuwe groep, een groep die ik het komende semester les zal geven.

Nieuwe gezichten, ik probeer ze in me op te nemen, probeer ze te onthouden. Jij lijkt op die en die, je hebt net zo’n donkere blik en van die grote oren, dat kan ik onthouden. En jij lijkt op die en die, je bent net zo beweeglijk en je blijft maar praten, ook dat kan ik onthouden.

Een nieuwe situatie zetten we vaak af tegen een bekende situatie. We proberen de situatie zo min mogelijk nieuw en onbekend te laten zijn.

Het kan zijn dat ik de groep een voorbeeld geef dat ik gewoonlijk geef, maar dat het nu niet blijkt te werken. Of dat degene die nogal beweeglijk is en veel praat, als eerste terug is van de pauze, terwijl ik beweeglijk zijn en veel praten had geassocieerd met te laat komen. Of dat de vrijheid die ik geef en die meestal gewaardeerd wordt, nu wordt gezien als gebrek aan structuur en tot weerstand leidt.

Pas als er dingen anders gaan dan we gewend zijn, dringt tot ons door dat een situatie nieuw is.

Fouten maken, met lege handen staan, met een mond vol tanden, dat hoort allemaal bij nieuw, bij beginnen. Het vraagt om het loslaten van onze gewoontes en om het aanpassen van ons narratief. Pas als we de situatie kunnen zien voor wat die werkelijk is, zijn we voorbij het begin.

Gericht op het einde (3)

Een groot deel van het leesplezier bestaat uit de spanning, of het nu gaat om een detective, een historische roman of een psychologisch verhaal. Er is een conflict, er staat iets te gebeuren, en de lezer wil weten hoe het verdergaat, hoe het afloopt. Er is een gerichtheid op het einde, en het verhaal is een weg die naar dat einde leidt.

Dit zorgt vanzelf voor een eenheid en een samenhang in het verhaal. Er zijn dingen die met het conflict hebben te maken, en die krijgen een plaats in het verhaal, en er zijn de dingen die niets met het conflict hebben te maken, en die krijgen er geen plaats in. Dan is er nog een grijs gebied van zaken die er zijdelings mee te maken hebben, en daarvan moet de schrijver kijken of hij ze een plaats geeft. Lekker overzichtelijk, toch?

Maar in dat overzichtelijke schuilt ook een gevaar. Het verhaal kan er eentonig van worden, het kan diepgang missen, voorspelbaar worden. Want zelfs als je van te voren niet kunt weten wie de moord gepleegd heeft, als het verhaal alleen maar gaat over wie het gedaan heeft, dan wordt het toch voorspelbaar, namelijk in die zin dat je weet dat er een einde komt dat zal duidelijk maken wie de de dader is, that’s it, meer inzicht komt er niet. Er is alleen maar spanning.

De kunst is om in de spanning, om in de tijdsbeleving, een opening te maken waarin de lezer om zich heen kan kijken naar een onvermoede ruimte. Dat de spannende weg hem niet zozeer naar een einde leidt, als wel langs uitzichten en vergezichten onderweg.

Zoals in een eerder voorbeeld: een personage wil erkenning van zijn moeder, het hele verhaal is daarop gericht. Maar dan komt zijn moeder te overlijden en staat in zekere zin zijn tijd stil, valt de spanning weg, is er een niet-weten en een om zich heen kijken naar een nieuw oriëntatiepunt, naar een nieuw vergezicht, een nieuw narratief.

Gericht op het einde (2)

Ook bij een roman of een kort verhaal werpt het einde zijn schaduw vooruit. Dat speelt op twee manieren. Het personage richt zich op een einde, en ik als lezer richt me op een einde. Dat lijkt twee keer hetzelfde, en dat is het deels ook, maar er is ook een verschil tussen die twee.

Voor het personage gaat het waarschijnlijk om een oplossing, het gaat hem op het einde van het conflict waar hij in zit. Hij voelt zich bijvoorbeeld miskend door zijn moeder, en hij wil van zijn moeder erkenning. Hij gaat ervan uit dat als hij die erkenning van haar krijgt, dat dan zijn probleem is opgelost.

Tegelijkertijd blijft zijn narratief overeind, zelfs als het probleem is opgelost. Als zijn moeder erkent dat ze fout zat, bevestigt dat zijn narratief (of met andere woorden: zijn perspectief, zijn visie, zijn lezing, zijn verhaal). Hij heeft het al die tijd goed gezien.

Ik als lezer kan — als de roman of het korte verhaal me daartoe uitnodigt en adequaat is geschreven — meeleven met het personage en me ook richten op de oplossing van zijn probleem, op het einde van zijn vervelende situatie.

Maar er is ook het einde van de roman waarmee ik heb te dealen, en die twee — de oplossing voor het personage en het einde van de roman die ik lees — hoeven niet samen te vallen. Het kan zijn dat een oplossing van het probleem niet in zicht is, maar dat ik wel zie dat ik nog maar twee alinea’s heb te gaan voordat het verhaal stopt. Dat de roman of het korte verhaal stopt, daaraan heeft het personage geen boodschap, maar ik als lezer wel. Op dit punt hebben we verschillende belangen. Op dit punt scheiden onze wegen.

Als er voor het personage niet de oplossing komt die hij wenst, dan moet er iets met zijn narratief gebeuren, wil de roman of het korte verhaal ten einde kunnen komen. Dan moet er iets in het narratief van het personage ten einde worden gebracht, ook zonder dat het probleem voor het personage is opgelost op de manier zoals hij dat vanuit zijn narratief voor ogen had.

Een voorbeeld. Het kan zijn dat zijn moeder komt te overlijden, en dat het personage dus nooit meer haar erkenning zal krijgen. Wie weet kan hij daarmee toch leven, ondanks dat hij eerder dacht dat dat onmogelijk was. Dan kan hij deels volharden in zijn narratief, namelijk dat hem onrecht is aangedaan, maar deels past hij zijn narratief toch aan — al dan niet bewust — en komt er iets in dat narratief ten einde: namelijk het idee dat hij alleen maar verder met zijn leven kan als hij van zijn moeder erkenning krijgt.