Collectief narratief versus persoonlijk narratief (3)

Een van de eerste verhalen die we onze dochter vertelden, zal het verhaal van Sinterklaas geweest zijn. Ik was daar geen voorstander van, ik wilde haar niet iets doen geloven dat niet waar was, maar haar moeder zei dat het geluk van een paar jaar in Sinterklaas geloven opwoog tegen de leugen, en ik ging daarin mee. Toen mijn dochter vijf of zes was en de zeepbel uiteen spatte, zei mijn dochter dat ze het niet had willen missen.

Een paar jaar later vroeg ze me of God bestond. ‘Wil je dat God bestaat?’ vroeg ik. ‘Heb je hem nodig? Is hij belangrijk voor je?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘voor mij hoeft het niet.’ ‘Dan bestaat hij niet,’ zei ik. ‘Maar,’ zei ze, ‘mijn buurmeisje heeft haar vader verloren, ik kan me voorstellen dat God voor haar wel belangrijk is.’

Nog later, ik denk in de tijd dat ze aan het studeren was, kwam het gesprek op reïncarnatie, of ze daarin geloofde. ‘Nee, dat wil ik niet,’ zei ze, ‘over is over, als het leven voorbij is heb ik mijn rust wel verdiend.’ ‘Ben je het leven moe, lieverd?’ vroeg ik, niet helemaal on topic. ‘Nee,’ zei ze, ‘dat niet, het leven is goed zolang het duurt, maar daarna is het wel klaar, het moet niet eeuwig doorgaan.’

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (2)

Toen ik de film ‘3 Days in Quiberon’ keek, was mijn eerste reactie: de journalist van STERN die Romy Schneider in een collectief narratief wil plaatsen is slecht, Romy Schneider die haar individuele narratief wil vertellen is goed, en ik ben ook goed, want ik vind het verachtelijk dat deze journalist ten koste van Romy Schneider een artikel wil publiceren.

Maar zo eenvoudig is het niet.

Het collectieve narratief is niet iets wat in handen is van één persoon, van één journalist. Zoals de term al doet vermoeden, is het collectieve narratief van een groep, en als je de term ‘cultureel narratief’ zou gebruiken is het zelfs het verhaal van een hele cultuur. Het culturele narratief is van iedereen.

Door films te kijken van Romy Schneider, door over haar te lezen, door deze gefictionaliseerde documentaire van haar te bekijken, door er nu over te bloggen, maak ik net zo goed onderdeel uit van dat collectieve narratief als de journalist van STERN.

Een bijzonder gegeven is dat de journalist die destijds het interview heeft afgenomen — een interview trouwens dat door Romy Schneider werd geautoriseerd — zijn medewerking heeft verleend aan deze gefictionaliseerde film door de regisseur inzicht te geven in hoe hij destijds te werk is gegaan. En de fotograaf van destijds heeft de vele foto’s die hij die drie dagen heeft geschoten, gedeeld met de regisseur. Daarmee hebben ze geholpen om te laten zien hoe het interview tot stand kwam, en meegewerkt aan een film die laat zien hoe collectieve narratieven werken.

Zien hoe narratieven werken, vind ik bij nader inzien interessanter dan er een moreel oordeel over te hebben.

Collectief narratief versus persoonlijk narratief (1)

Ook iemands naam is taal. En taal behoort tot het collectieve narratief. Iemands naam behoort dus tot het collectieve narratief.

In de film ‘3 days in Quiberon’ laat de actrice Romy Schneider zich in een afkick-kliniek een paar dagen lang interviewen door een journalist van STERN. De film is gespeeld, maar het interview heeft echt plaatsgevonden, het was het laatste interview dat Romy Schneider voor haar plotselinge dood gaf.

De journalist wil een stuk schrijven waarover gesproken wordt, een stuk dat de oplagecijfers omhoog stuwt, een stuk dat hem beroemd maakt. Daarvoor moet hij haar framen, daarvoor moet hij haar ondergeschikt maken aan het collectieve narratief dat het grote publiek van haar kent. Romy Schneider is voor hem en voor zijn lezers vooral de actrice die groot werd door Sissy te spelen. ‘Europa’s grootste vrouwelijke filmster (…) de bron van een publiek schandaal,’ zo noemt hij haar.

Romy Schneider geeft het interview juist om haar individuele narratief over het voetlicht te brengen. Ze wil de echte Romy Schneider laten zien, niet Sissy. ‘Ik ben niet de vrouwen die ik in mijn films speel. Ik ben een ongelukkige vrouw van 42 en mijn naam is Romy Schneider.’

De film laat de strijd tussen de journalist en de actrice zien, de strijd tussen het collectieve en het individuele narratief.

Dit is de trailer op YouTube.

Collectief narratief en taal (3)

Een paar jaar geleden vroeg mijn vriendin hoe ik het zou vinden om het contact dat we hadden voortaan een relatie te noemen.

Een relatie.

Zij had al een relatie met iemand anders, een fijne, polyamoreuse relatie, haar associaties bij het woord ‘relatie’ waren vooral positief, ze wilde daar wel meer van. Ik kwam uit een relatie waarvan het einde niet zo fijn was, ik hoefde daar niet meer van.

Mjn vriendin en ik, twee mensen met ieder een eigen, individueel narratief rondom het woord ‘relatie’. Het bleek op dat moment niet mogelijk om dat woord een gezamenlijke betekenis te geven. En het werd toen ook geen relatie, het werd iets ingewikkelds — en waardevols — waarvoor het moeilijk was om woorden te vinden.

Skip forward. We zijn een paar jaar en wat ervaringen, gesprekken en emoties verder. En we hebben een relatie, die we ook als zodanig benoemen. Wellicht kon dat gebeuren doordat we meer ervaring opdeden met wat een relatie voor ons kan betekenen. Het woord heeft nu meer een gemeenschappelijke geschiedenis en een gemeenschappelijk narratief.

Collectief narratief en taal (2)

Toen ik een boek schreef over het schrijven van korte verhalen, lag het voor de hand om woorden te gebruiken als ‘personage’, ‘spanningsboog’, ‘plot’, ‘conflict’, ‘dialoog’ en nog een paar van die woorden die je ook in andere boeken over schrijven en literatuur tegenkomt.

Maar ik had iets nieuws te vertellen, ik had in mijn jarenlange ervaring als schrijver van korte verhalen mechanismes ontdekt die ik niet in andere boeken over schrijven tegenkwam. Maar als ik alleen het gebruikelijke jargon zou gebruiken, zou ik al snel het collectieve narratief en de gebruikelijke gedachtes over het schrijven van verhalen terecht komen.

En dus gebruikte ik een metafoor. Ik kwam uit bij de fotografie. En zo kon ik het hebben over de sluitertijd van een verhaal, het kader ervan, de gulden snede, bokeh, vignettering en over de lagen in het beeld. Op die manier kon ik met ongebruikelijke woorden iets ongebruikelijks over korte verhalen verwoorden.

Collectief narratief en taal (1)

Eerder schreef ik: “Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.”

We maken niet onze eigen woorden, we gebruiken de woorden die de taal ons aanreikt. En taal, dat is onze geschiedenis, dat is onze maatschappij. We spreken de taal van onze geschiedenis en onze maatschappij.

Denken gebeurt in taal. Gedachtes zijn taal.

Als het zo is dat onze taal wordt gedefinieerd door de geschiedenis en de maatschappij, wordt ook ons denken daardoor gedefinieerd.

We hebben niet onze eigen gedachtes. We hebben de gedachtes die de maatschappij en de geschiedenis ons aanreiken.

Collectief narratief (5)

Iemand die veel nadacht en schreef over narratieven, was de Franse filosoof Michel Foucault (1926-1984). Alleen had hij het niet over een collectief narratief, maar over een dominant narratief. Hij vergeleek dat dominante narratief met een gevangenis.

Moderne gevangenissen worden zo gebouwd dat gevangenen constant kunnen worden geobserveerd en zich ook geobserveerd weten. Daardoor zullen de meesten zich — vaak onbewust —  aanpassen aan dat wat er van ze verlangd wordt, ze zullen zich ‘normaliseren’, ofwel aan de norm voldoen. Eisen die van buitenaf opgelegd worden, zullen sommigen zichzelf gaan opleggen, ze worden hun eigen bewaker, wat je ‘internaliseren’ zou kunnen noemen.

Het observeren, normaliseren en internaliseren gebeurt niet alleen in gevangenissen. Het gebeurt ook in scholen, ggz-instellingen en gezinnen. En daar niet alleen, het vindt plaats in de gehele maatschappij. Van kantoren tot winkelcentra tot Facebook.

En we doen allemaal onbewust mee aan het het opleggen en het ons laten opleggen van het dominante narratief. Daarbij is niemand alleen maar bewaker of alleen maar gevangene. Het zijn rollen die we beurtelings en soms zelfs gelijktijdig vervullen.

Collectief narratief (4)

Soms vraag ik me af hoe snel ik mijn mail moet beantwoorden. Iets zegt me dat ik dat binnen 24 uur moet doen, uiterlijk binnen 48 uur.

Dat ‘iets’ in het ‘iets zegt me dat’ is het collectieve narratief. Een regel die nergens in een wet is vastgelegd en waar je ook geen wetgever op kunt aanspreken.

Vuistregels, common sense, gewoontes, zo doen wij dat nu eenmaal, een onderbuikgevoel.

Als ik Google op hoe snel email beantwoord moet worden, krijg ik inderdaad  heel wat hits die bevestigen dat je dat het beste binnen 24 tot 48 uur kunt doen.

We praten het elkaar na, we praten het elkaar aan.

Natuurlijk kun je er je eigen gewoonte op na houden. Natuurlijk kun je proberen je e-mail altijd binnen een uur te beantwoorden. Of er pas na een week op reageren. Of helemaal nooit.

Maar je verhoudt je hoe dan ook tot het collectieve narratief. Als je ervan afwijkt, loop je de kans dat je erop wordt aangesproken, terecht wordt gewezen.

En dit gaat nog maar om iets dat niet zo heel belangrijk is. Maar wat als het niet gaat om het beantwoorden van email, maar om relaties, seksualiteit, euthanasie?

Ik denk dat ook daar collectieve narratieven een rol spelen, dat we elkaar ook op deze terreinen napraten, iets aanpraten, al denken we dat we in alle vrijheid doen vanuit een eigen, uniek, individueel narratief.

Als ik dit betrek op literatuur, iets waar deze website ook over gaat:

Literatuur kan niet alleen laten zien hoe we omgaan met grote thema’s, maar ook hoe collectieve narratieven daarin een rol spelen en hoe daaruit conflicten ontstaan die narratief van aard zijn.

Collectief narratief (3)

Mijn vriendin schreef:

“Ik denk dat ik in mijn literaire werk me veel meer focus op een personage dat zich tot het culturele narratief moet verhouden, en die zijn eigen individuele narratief op dat culturele narratief wil laten aansluiten, dan op een personage dat zich enkel verhoudt tot zijn eigen persoonlijke narratief en de cognitieve dissonantie met de werkelijkheid.”

En nu vraag ik mij af: 

Is het zo dat wij mensen zoals vogels zijn? Dat wij onderdeel van een zwerm zijn? Dat niemand afzonderlijk de zwerm is, maar dat wij allemaal een stukje van die zwerm zijn, en dat er tegelijkertijd iets van de zwerm in ons zit? Of met andere woorden: zitten wij in de zwerm en zit de zwerm in ons?

En hoe zit het dan met het culturele narratief? Is dat buiten ons? Kunnen wij ons tot het culturele narratief verhouden als tot iets wat buiten ons is? Zit in ons individuele narratief ook niet altijd een deel van het culturele narratief?

En als ons individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarbuiten, is het dan zo dat we met ‘daarbuiten’ bedoelen: het narratief van de anderen en ook het culturele narratief? Is hoe het individuele narratief zich verhoudt tot de werkelijkheid daarmee min of meer gelijk aan hoe het individuele narratief zich verhoudt tot het narratief van anderen en tot het culturele narratief?

Collectief narratief (1)

Eerder schreef ik: ‘Niet alleen een organisme is erop gericht om te blijven voorbestaan. Ook de soort waartoe het behoort is gericht op voortbestaan. Hetzelfde geldt voor narratieven. Niet alleen individuele narratieven willen overleven, collectieve narratieven willen dat ook.’

Een manier waarop collectieve narratieven proberen te overleven is door bezit te nemen van de taal.

Een voorbeeld daarvan is het onderscheid dat binnen ons collectieve narratief wordt gemaakt tussen mannen en vrouwen. Dat is een onderscheid dat van generatie op generatie via de taal is doorgegeven.

Als ik iemand zou vragen of hij de sleutels van mijn partner heeft gevonden, dan moet ik, als ik een bezittelijk voornaamwoord wil gebruiken, zeggen dat we haar sleutels zoeken, waarmee ik aangeef dat de sleutels aan een vrouw en niet aan een man toebehoren. Blijkbaar is dat verschil van collectief belang.

Het gaat me nu niet specifiek om de gender-discussie. Het gaat me erom dat ik als taalgebruiker een onderscheid moet maken dat al generaties in de taal gecodeerd is, en dat het moeilijk of bijna onmogelijk is om me uit te drukken zonder dat onderscheid en zonder de woorden die dat onderscheid aangeven.

Door de taal te gebruiken bevestig ik dat ik onderdeel uitmaak van het collectieve narratief en lijk ik ook dat narratief te bevestigen.