Collectief narratief versus persoonlijk narratief (4)

Sinterklaas, God, reïncarnatie… de gesprekken daarover met mijn dochter… als ik er nu op terugkijk was er steeds een collectief verhaal waartoe we ons te verhouden hadden. En ik had me ook te verhouden tot háár verhaal, voor mij was het ook interessant welk verhaal ik aan haar doorgaf en welk verhaal zij zichzelf vertelde.

Ik herinner me ook onze gesprekken die los leken te staan van geloof. Gesprekken die gingen over het echte leven: over vriendschappen, relaties, werk — de vreugde en het verdriet daarover. Ze zei me eens dat haar moeder en ik haar een overwegend zonnige jeugd hadden gegeven maar dat ze zich daarin niet helemaal voorbereid voelde op hetgeen later kwam en dat soms niet zo zonnig was: een vriendin die de vriendschap opzegde, een collega die geen zin had in het werk en die neerkeek op iedereen die er wel zin in had.

En toch, het verschil tussen de gesprekken over het geloof en die over het echte leven lijkt — nu ik er over nadenk — niet zo groot. Ging het in haar jeugd meer over verhalen zoals dat over Sinterklaas waarvan het duidelijk was dat het een verhaal was, toen ze ouder was en het over werk en vriendschappen en relaties ging, ging het eigenlijk nog steeds over verhalen, maar nu presenteerden ze zich niet nadrukkelijk als zodanig. Het waren meer verwachtingen, onbewuste aannames over hoe iets hoort te zijn en over hoe iets zal zijn, maar ook dat zijn narratieven, soms individueel en soms collectief.