Collectief narratief versus persoonlijk narratief (3)

Een van de eerste verhalen die we onze dochter vertelden, zal het verhaal van Sinterklaas geweest zijn. Ik was daar geen voorstander van, ik wilde haar niet iets doen geloven dat niet waar was, maar haar moeder zei dat het geluk van een paar jaar in Sinterklaas geloven opwoog tegen de leugen, en ik ging daarin mee. Toen mijn dochter vijf of zes was en de zeepbel uiteen spatte, zei mijn dochter dat ze het niet had willen missen.

Een paar jaar later vroeg ze me of God bestond. ‘Wil je dat God bestaat?’ vroeg ik. ‘Heb je hem nodig? Is hij belangrijk voor je?’ ‘Nee,’ zei ze, ‘voor mij hoeft het niet.’ ‘Dan bestaat hij niet,’ zei ik. ‘Maar,’ zei ze, ‘mijn buurmeisje heeft haar vader verloren, ik kan me voorstellen dat God voor haar wel belangrijk is.’

Nog later, ik denk in de tijd dat ze aan het studeren was, kwam het gesprek op reïncarnatie, of ze daarin geloofde. ‘Nee, dat wil ik niet,’ zei ze, ‘over is over, als het leven voorbij is heb ik mijn rust wel verdiend.’ ‘Ben je het leven moe, lieverd?’ vroeg ik, niet helemaal on topic. ‘Nee,’ zei ze, ‘dat niet, het leven is goed zolang het duurt, maar daarna is het wel klaar, het moet niet eeuwig doorgaan.’