Beeld en narratief (1)

Een narratief bestaat uit taal. Zonder taal geen narratief.

Maar hoe zit het dan met beelden? Kunnen die op zichzelf een narratief vormen, zonder tussenkomst van taal?

Stel je voor: je zit in een lunchroom, je hebt uitzicht op de straat. Er fietst een vrouw voorbij, ze valt, omstanders bieden hulp aan, er wordt gebeld, er komt een ambulance, en de vrouw wordt meegenomen.

Je hebt het gezien van achter het raam, je hebt niets kunnen horen, er is voor jou geen woord aan te pas gekomen. En toch is er een narratief. Kunnen beelden op zichzelf dan toch een narratief zijn?

Ik denk het niet. Het voorbeeld bestond weliswaar alleen uit beelden, maar die moeten we eerst in ons opnemen, er een betekenis aan geven, en dat gebeurt met woorden, pas dan kan een narratief ontstaan.

Immers, je hebt dat wat je door de ruit zag niet voor een abstracte gebeurtenis aangezien, je zag het niet als een abstract schilderij, je zag het niet als vormen en kleuren, niet als bewegende objecten. Je zag een vrouw, je zag een fiets, je zag de vrouw en de fiets vallen. Daarvoor moet je weten wat een mens is, wat een fiets is, wat vallen betekent. Daar komt taal bij kijken.

En taal is niet alleen maar onpersoonlijke kennis, er is ook iemand nodig die de taal gebruikt, iemand die woorden kiest, die keuzes maakt, en bij die keuzes gebruik je je ervaring, je intuïtie, en zowel ervaring als intuïtie is persoonlijk.

Beelden zijn niet het narratief, ze zijn voedsel voor het narratief. Het narratief heeft een taal en een taalgebruiker nodig om dat voedsel te verteren.