Ruimte en tijd (2)

Ik word langzaam wakker, voel dat de dekens zweterig klam zijn, het gordijn laat licht door. Een tijdlang doe ik niets, denk ik nauwelijks iets. Voor zover het me met mijn slaperige hoofd lukt neem ik alleen maar waar en vraag ik me af wat die waarnemingen te betekenen hebben.

Dan kijk ik op mijn mobieltje, acht uur, donderdagochtend, zo meteen moet ik de deur uit naar de therapeut.

Dat besef van tijd verandert iets aan mij en aan de kamer. De kamer en ik zijn nu anders dan voordat ik op mijn mobieltje keek.

Ik ben niet langer alleen maar wakker, ik heb iets te doen en ik heb dat binnen korte tijd te doen.

De kamer is nu vooral van belang voor zover hij me helpt om op te schieten, de deur uit te komen. De kast is er om een handdoek uit te pakken, de gordijnen zijn er om te beschermen tegen blikken van buiten als ik snel en bloot naar de douche loop.

Er is niet langer het niet-weten van toen ik net wakker was en nog geen besef van tijd had. Alles is nu functioneel.

Tijdsbesef is een laag over de ruimte heen. Tijdsbesef verandert de waarneming van de ruimte.

Of sterker nog. Tijdsbesef verandert niet alleen de waarneming van de ruimte maar maakt er onlosmakelijk deel van uit.