Ruimte en tijd (1)

Een zomeravond, ik zit op een grasveld te nietsen en kijk naar een plantje met grove, onregelmatige bladeren, bloemloos, wellicht is het onkruid. Mijn gedachten zeggen dat het niet voor de hand ligt om zo’n plantje aandacht te geven. Niemand geeft aandacht aan zo’n plantje.

Maar werd dit plantje op de maan aangetroffen (‘Er is leven op de maan!’), dan had ik voor de tv of voor mijn mobieltje gezeten om ieder detail ervan te bestuderen, dan was het het gesprek van de dag.

Die volle aandacht zou het plantje ook van me krijgen als het de laatste minuten van mijn leven waren en als ik zou weten dat dit het laatste was dat ik ooit te zien zou krijgen.

Op de maan of zomaar op een grasveld in de buurt. Op mijn sterfdag of op een doodgewone dag.

Plaats en tijdstip zijn onderdeel van ons narratief. En ons narratief bepaalt hoe we naar iets kijken, óf we naar iets kijken.