Het belang van terugkerende details – 2

In de vorige blogpost bespraken we waarom mensen details laten terugkeren in wat ze vertellen: omdat ze willen vasthouden aan hun narratief, aan hun identiteit. Een detail kan tekenend zijn voor dat narratief, en het loslaten van het detail kan voor hen zo eng zijn als het loslaten van een identiteit. Het herhalen van het detail werkt bezwerend.

Maar er is nog een andere oorzaak waardoor details terugkeren. En die oorzaak heeft niet te maken met het vertellen en het herhalen van het narratief achteraf, maar met het moment van ontstaan van dat narratief. Op het moment dat iets gebeurt, kunnen we vaak niet alles overzien, of willen we niet alles overzien, en dan valt ons oog vooral op een detail. Dat detail is dan de focus van onze waarneming. En vanuit dat detail gaan we verder waarnemen, het detail wordt een bron van die verdere waarneming, we zoeken naar gelijkenissen met dat detail, naar bevestiging van dat detail. Onze waarneming wordt mede daardoor incompleet en repetitief.

Herhaling laat dus ook onmacht zien. Onmacht om helder waar te nemen in het moment, en ook onmacht om achteraf dat wat wel is waargenomen los te laten.

Veel verhalen gaan over onmacht.

Overigens, over herhaling kun je ook lezen in mijn handboek Korte Verhalen Schrijven, hoofdstuk 8, Herhaling.

Het belang van terugkerende details – 1

Ik zit een verhaal te lezen van een oud-student van mij, Lotte Dondorp, Zonder ons is er geen muziek. Het is in een eerdere versie te lezen op de website van de Revisor, en daar heet het ‘De Berenjager’. Wat me opvalt, zoals ook in andere verhalen van haar: de authentieke details en het regelmatig terugkeren van die details. 

In Zonder ons is er geen muziek kijkt een man terug op een periode waarin hij zichzelf en zijn gezin als gelukkig wil zien, hoewel het tegelijkertijd de vraag is hoe gelukkig de periode echt was, want er was ook groot onheil.

Het is een soort hardop denken dat de man doet, en dat hardop denken vormt het korte verhaal. Het verhaal opent met de zin: ‘Ze noemen me De  Berenjager’. Het is een zin die later terugkeert. En elders in zijn verhaal laat de man niet de hele zin terugkomen, maar is er wel dat ene woord: Berenjager. De man geeft zichzelf hiermee een identiteit, blijkbaar is dat belangrijk voor hem, misschien wel omdat hij moeite heeft een andere —  belangrijkere — identiteit van hem onder ogen te zien: die van partner, van falende partner, van falende vader. Dus herhaalt hij ‘Berenjager’, hoewel hij zelf inziet dat het niet helemaal adequaat is om zichzelf daarmee te identificeren: ‘Ze noemen me De Berenjager, maar ik heb in mijn leven nog nooit een beer durven schieten.’

Je zou kunnen denken dat je als schrijver details moet laten terugkeren om de lezer houvast te geven. Dat is ook zo. Maar minstens zo belangrijk is het volgende: personages — mensen — zitten vaak vast in hun narratief, ontlenen hun identiteit aan dat narratief, en vaak hebben ze een paar kernwoorden nodig als reddingsboei en grijpen ze daar steeds opnieuw naar om niet te verdrinken in wat zich buiten hun narratief bevindt.

Overigens, over het laten terugkeren van details kun je ook lezen in mijn handboek Korte Verhalen Schrijven, hoofdstuk 8, Herhaling.

Van buiten naar binnen – 1

Van buiten

Ze kent het huis vanaf haar jeugd. Het is groot, het heeft wel acht kamers, zo heeft ze zich laten vertellen, ze is er nog nooit binnen geweest. Wat opvalt is dat het paars is, knal paars, de muren, het dak, als ze erlangs loopt lijkt het haar maar raar om in een paars huis te wonen. En duur vanwege de hoge stookkosten, want ook dat is wat mensen erover zeggen: dat je je in zo’n groot huis scheel betaalt aan energie om alle vertrekken te verwarmen. Maar, zo zeggen ze erbij, het is natuurlijk wel heerlijk wonen als je een groot gezin hebt, ieder kind heeft een eigen kamer. Dit is hoe zij als meisje naar het huis leert kijken: hoge stookkosten en ideaal voor grote gezinnen.

Van binnen – de eerste tijd

Ze is veertig als ze het huis koopt. De eerste tijd denkt ze dat ze muren buiten zal overschilderen, want dat paars, wie wil er nu een huis met paarse muren. Maar als ze er een tijdje woont, weet ze het zo zeker niet meer. Als je in het huis woont, zie je vooral de binnenkant, en die is niet paars. Dat het paars is, is meer iets dat de mensen opvalt die tegenover het huis wonen of die voorbij het huis lopen. En de stookkosten vallen mee. Ze verwarmt vooral de ruimte waar ze is, dan is het goed te doen, bovendien heeft ze veel zonnepanelen genomen en het huis perfect laten isoleren, dat drukt de energie-rekening. En wat de mensen zeiden over dat het ideaal is voor een gezin, dat ervaart ze zelf niet zo. Ze heeft geen kinderen, wil geen kinderen.

Maar toch, de eerste tijd als ze over het huis vertelt, vertelt ze wat ze vroeger van andere mensen heeft gehoord: dat je wel moet oppassen met stoken, en dat zoveel kamers ideaal zou zijn voor een gezin. Maar waarom vertel ik dat eigenlijk? denkt ze als ze goed luistert naar wat ze zelf zegt. Waarom vertel ik wat mij altijd verteld is in plaats van dat ik vertel hoe het daadwerkelijk voor mij is?

Van binnen – na een tijdje

Als ze er een tijdje woont, vindt ze het fijn dat ze veel afgebakende ruimtes heeft. Ze heeft een grote kantoorruimte, een yogakamer, een kleine meditatiekamer, een leeskamer, een kamer voor haar ene geliefde, een kamer voor haar andere geliefde, een eigen slaapkamer met ruime zit- een eethoek, een gemeenschappelijke woonkamer. Ze vindt het fijn om dingen gescheiden te houden, om zich te kunnen focussen, ergens in op te kunnen gaan zonder aan iets anders te hoeven denken, om geen partners te hoeven tegenkomen op momenten dat ze die niet wil tegenkomen. Het huis past bij haar manier van leven.

Ze had als kind niet gedacht dat dat het huis zijn waarde kon geven. Ze had ook niet voorzien dat haar leven er op deze manier zou uitzien.

Wijze les

Je weet pas hoe het is als je er daadwerkelijk naar binnen gaat. Tot die tijd hoor je er dingen over zeggen die maar deels waar zijn en maar deels relevant. Als je eenmaal binnen bent, duurt het een tijd voor je de ideeën van een buitenstaander los kunt laten.

Het schrijven zelf — ook dat maakt onderdeel uit van een narratief (6)

De technieken die schrijvers gebruiken, worden grotendeels bepaald door het collectief narratief waarvan schrijvers deel uitmaken. Schrijvers en docenten creative writing vertellen elkaar hoe je hoort te schrijven, wat de technieken zijn om dat te doen. Daarover schreef ik in de vorige post.

Maar niet alleen de technieken van onze verhalen worden bepaald door het collectief narratief, ofwel door dat wat we elkaar en onszelf vertellen en wijsmaken. Ook de inhoud wordt grotendeels door collectieve narratieven bepaald.

Neem de beroemde openingszin van Tolstojs roman Anna Karenina:

Alle gelukkige gezinnen lijken op elkaar, elk ongelukkig gezin is ongelukkig op zijn eigen wijze.

Veelzeggend, food for thought, kernachtig, en daarom niet voor niets een van de meest geciteerde zinnen uit de literatuur.

Vaak wordt de zin niet alleen aangehaald om een gesprek te starten over de inhoud of over de schoonheid ervan, maar wordt hij aangehaald om te laten zien — of zelfs: bewijzen — waarover literatuur hoort te gaan. Literatuur gaat over ongeluk, want daarmee kun je de individualiteit van iemand laten zien (‘zijn eigen wijze’). Zou je over geluk willen vertellen, dan kan dat alleen maar door iets te vertellen dat niet individueel en niet specifiek zou kunnen zijn (‘lijken op elkaar’).

En die opvatting, dat is waar het volgens mij misgaat met het citeren van deze zin en het collectieve narratief waarbinnen ze gebruikt wordt. Er lijkt te worden voorgeschreven waarover we zouden moeten schrijven.

Waardoor we ons niet meer voldoende afvragen: Is het wel waar dat je niet kunt schrijven over geluk? Is het sowieso wel zinnig om een onderscheid tussen geluk en ongeluk te maken, tussen ongelukkige en gelukkige gezinnen? Zou het zo kunnen zijn dat een persoon of gezin zowel gelukkig als ongelukkig is? Werkt het denken in gelukkig versus ongelukkig niet een oppervlakkigheid in de hand die we misschien liever niet in literatuur zien?

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (5)

Waarom we schrijven, dat komt voort uit onze individuele en collectieve narratieven, zo kon je in de vorige blogposts lezen. Immers, schrijvers hebben een drijfveer om te schrijven, en die drijfveer maakt onderdeel uit van hun narratief.

Maar niet alleen onze drijfveer, ook de manier waarop we over schrijven denken, ook wat we als schrijftechnieken beschouwen, kan een narratief zijn.

Neem de leus Show don’t tell. Die wordt vaak gezien als een wet. Laatst gaf ik een proefles bij de Schrijversvakschool Amsterdam, en daar behandelde ik het verhaal Hiernaast van Tobias Wolff. Dat verhaal begint met de zin: Angstig word ik wakker. ‘Maar dat mag toch niet?’ zei een van de belangstellenden, ‘want daar wordt toch verteld in plaats van geshowd? Wolff moet toch eigenlijk laten zien dat het personage bang is, in plaats van het zo maar aan de lezer te vertellen?’

Maar wie zegt dat een schrijver zoiets niet mag vertellen? En hoe komt het dat iemand die aan een schrijfopleiding wil beginnen al ‘weet’ dat je zogenaamd wel mag showen maar niet mag vertellen? Is dat een natuurwet? Is er onlangs een stenen tafel met een elfde gebod opgegraven?

Als lezer en als schrijver weet ik dat het soms goed kan werken als er wél wordt verteld (bijvoorbeeld door een ik-verteller, zodat we die ‘ik’ door haar subjectiviteit van het vertellen leren kennen). Maar als ik dat aan studenten vertel, ben ik soms in hun ogen een beetje verdacht omdat ik iets niet lijk te begrijpen dat iedere beginnende schrijver weet: ‘Show don’t tell’.

‘Show don’t tell’ is een collectief narratief, iets wat schrijvers elkaar en zichzelf vertellen, iets waar je soms je voordeel mee kunt doen, en soms je nadeel. Het blijft iets om zelf in een gegeven situaties van te bekijken of het werkt.

Overigens, dit collectief narratief over het schrijven gaat over de vorm, over de techniek. Dat een collectief narratief ook — soms onbewust — de inhoud van je verhalen kan beïnvloeden, daarover gaat de volgende blogpost.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (4)

Waarom we schrijven, daarover ging het de afgelopen drie blogposts, daarover gaat het ook nu.

Een vriendin van me is autistisch, en ze is schrijver. Ze hoopt uitgegeven te worden, soms vreest ze dat dat niet zal gebeuren.

‘Wat als mensen mijn boek nooit zullen kunnen lezen omdat het niet wordt uitgegeven?’ zo vroeg ze zich af. ‘Dan zullen ze nooit kunnen zien dat ik niet autistisch en raar ben, maar dat ik bijzonder ben. Dat ik iets kan, dat ik iets te betekenen heb, dat ik waardering verdien. Als mijn boek niet wordt uitgegeven, zullen ze als ze ze me in de supermarkt zien niet kunnen zeggen: kijk daar gaat die schrijver. Dan zullen ze blijven zeggen: daar gaat die rare.

Ze noemde een paar tv-series waarin de hoofdpersoon misschien raar lijkt, maar in wezen geniaal is. Ze noemde House, met een geniale dokter. Ze noemde The Bridge, met een geniale rechercheur.

Ze zei ook dat die series het opnemen voor mensen die afwijken, dat ze laten zien hoe geniaal die mensen kunnen zijn.

Ik zei dat die series ook een gevaar met zich meebrachten, dat ze ook lijken te zeggen: we mogen onszelf zijn, we mogen anders zijn, als we maar geniaal zijn. En daarmee houden zulke series juist een bedenkelijk collectief narratief in stand.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (3)

Ik ben gaan schrijven om gezien te worden, zo stelde ik in de twee vorige blogposts.

Het benoemen van die drijfveer, dat is een narratief, en zoals altijd bij narratieven, is het niet de waarheid. Het is een model, een manier ertegen aan te kijken, een van de manieren.

Een mens weet nooit helemaal wat haar beweegt. Er zal altijd iets meespelen waarvan ze zich niet bewust is.

Misschien schrijf ik ook wel uit gewoonte, of omdat ik docent Creative Writing ben, of om in het schrijven ook iets van het leven zelf op het spoor te komen. Dat zou allemaal kunnen, en als dat zo is, dan zijn ook dat narratieven die ik over mezelf en aan mezelf zou kunnen vertellen.

Maar toch, mijn uitgangspunt dat ik schrijf om gezien te worden, is wel iets dat bij schrijven en bij literatuur past. Literatuur wordt geschreven om gelezen te worden, en dus om daarin en daarmee contact te maken, en als het zo is dat literatuur ook over het leven gaat, dan gaat leven er ook over om contact te maken, en kan de literatuur dat laten zien.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (2)

In de vorige blogpost schreef ik dat ik een narratief ontdekte van waaruit ik schreef, namelijk dat ik erkenning wilde krijgen, dat ik gezien wilde worden.

Ik denk dat wat me tot schrijven dreef, ook terug te zien is in verhalen die ik schreef. Dat daar veel personages in voorkomen die het stille verlangen hebben dat ik zelf had — om gezien te worden — of die proberen verder te leven zonder dat dat verlangen vervuld wordt.

In een verhaal dat een tijdje geleden werd gepubliceerd in Hollands maandblad, Moederdag, schreef ik over een vrouw van wie het leven overhoop lag, ze had haar dochtertje op bezoek, ze kon het niet aan en belde haar ex om hun kind — vroeger dan afgesproken — op te halen.

De vader had geen begrip voor de moeder, hij leek haar vooral raar te vinden, lastig, hij heeft alleen oog voor hun dochtertje en neemt dat mee naar huis.

Nu hun dochtertje weer bij de vader is, maakt de vrouw een filmpje voor haar zus — de enige persoon van wie ze vermoedt dat die nog om haar geeft — om zichzelf te tonen, om de rommel in haar appartement te tonen, haar verdriet ook. Het filmpje dat de vrouw voor haar zus maakt vormt het korte verhaal, en het filmpje is vooral ook een poging om gezien te worden.

Overigens, mijn verhalen zijn niet alleen te lezen in literaire tijdschriften zoals Hollands Maandblad, maar ook in deze verhalenbundels.

Het schrijven zelf — ook dat maakt deel uit van een narratief (1)

Niet alleen personages hebben een narratief. Ook schrijvers hebben dat. Iedere schrijver heeft — bewust of onbewust — een narratief waarom ze schrijft. Of meerdere narratieven.

Zelf dacht ik aanvankelijk dat ik schreef omdat ik nou eenmaal niet anders kon, dat ik wel moest. Misschien was het waar. Het was in ieder geval waar dat ik het dacht.

Maar toen er voor het eerst een verhaal van mij werd gepubliceerd in een literair tijdschrift, ontdekte ik dat ik ook een andere drijfveer had, een ander narratief.

Ik werd me daarvan bewust toen ik trots met het tijdschrift bij mijn ouders op visite ging. Ik stelde ze voor dat ik het verhaal zou voorlezen, waarna mijn vader naar de keuken ging onder het mom om daar te drinken te halen. Hij bleef maar weg, ook toen ik begon voor te lezen. Toen ik het verhaal uit had, zei mijn moeder dat ze het verhaal niet helemaal had begrepen, maar dat het vast knap was, dat het mogelijk dusdanig knap was dat het haar verstand te boven ging.

Niet nodig om te zeggen dat ik teleurgesteld was. En in die teleurstelling werd ik me van een drijfveer bewust: dat ik met het schrijven ook erkenning van mijn ouders had hopen te krijgen.

Niet de schrijver maar het personage (4)

De schrijver schrijft. Het personage vertelt en houdt zichzelf gevangen in die vertelling. Vaak schrijft de schrijver over personages die zichzelf in hun verhaal gevangen houden.

In mijn boek Korte Verhalen Schrijven (2011) was ik dat al een beetje op het spoor. Al zou ik het pas na dat boek verder uitwerken. Toch schreef ik in dat boek al, in een hoofdstuk over kijken:

“In het verlengde van kijken ligt vertellen. […] In [een verhaal] krijgen we als lezer te zien wat de hoofdpersoon wil zien. Daarmee is diens blik dus bepalend voor het verhaal. ‘Kijken’ gaat hiermee over in ‘vertellen’. En omdat we zien hoe [het personage] kijkt en een verhaal vormt, is het thema niet alleen het kijken, maar ook het vertellen zelf. Veel verhalen gaat over het vormen van een verhaal.”

Ook andere vooruitwijzingen naar het denken over narratieven zijn al in dat boek terug te vinden. Zo is er een hoofdstuk dat gaat over ‘kader’. En eigenijk gaat dat — al gebruikte ik de term daar niet — over framen. En framen, dat is wat een narratief doet. Een narratief framet. Met framen plaatst een personage — bewust of onbewust — sommige dingen buiten het kader en ander dingen binnen het kader, en daarmee vormt hij of zij een eigen blik, een eigen narratief.